Wetenschappelijke symposia maandag

WETENSCHAPPELIJK SYMPOSIUM SW3 GEWELDLOOS VERZET 

Maandag 16/09/2019 13:50 O&N1 - GA2

Contactpersoon : Frank Van Holen

Organisatie : Vrije Universiteit Brussel - Faculteit Psychologie en Educatiewetenschappen

Geweldloos Verzet, Nieuwe Autoriteit en Waakzame Zorg.

Auteur inleiding : Frank Van Holen

Inleiding :

In oorsprong is Geweldloos Verzet (GV) een interventie die is ontwikkeld om ouders van kinderen met agressief en zelfdestructief gedrag te helpen. Later werd aan het curatieve GV met Nieuwe Autoriteit (NA) een preventief luik toegevoegd. De kern van NA is Waakzame Zorg (WZ), een dynamisch en fluctuerend proces dat aan opvoedfiguren richtlijnen en handvatten biedt om in een continuüm van opvoedingsproblemen (gaande van opvoedingsvragen over opvoedingsspanning tot problematische opvoedingssituaties) te handelen. Bij deze snelle evolutie van het gedachtengoed, die gepaard gaat met een verruiming van doelen, doelgroepen en toepassingsgebieden, hinkt het wetenschappelijk onderzoek hopeloos achterop. In dit symposium bespreken we hoe GV, NA en WZ zich tot mekaar verhouden, beschrijven we op basis van een literatuurstudie de stand van zaken op het vlak van empirische evidentie en presenteren we twee Vlaamse studies. Een eerste onderzoekt hoe vaak GV/NA-acties door praktijkwerkers in residentiële zorg worden uitgevoerd, een tweede onderzoekt hoe professionals met GV/NA-houding of -interventies omgaan in geval van conflict met een kind of jongere.

  • Geweldloos Verzet, Nieuwe Autoriteit en Waakzame Zorg. Van praktijk naar wetenschappelijke onderbouwing.

Auteur : Frank Van Holen

Coauteurs : Johan Vanderfaeillie

Geweldloos Verzet Nieuwe Autoriteit en Waakzame Zorg vinden steeds nadrukkelijker hun ingang in de hulpverlening en in de (onderzoeks)literatuur. De toepassingsgebieden en doelgroepen verruimen zienderogen. In deze bijdrage bespreken we eerst hoe Geweldloos Verzet, Nieuwe Autoriteit en Waakzame Zorg zich tot elkaar verhouden. Daarna maken we op basis van een literatuurstudie een analyse aan de hand van vijf basisvragen waarmee elke hulpverleningsinterventie kan worden getypeerd: (1) wie maakt er gebruik van, (2) welke zijn de doelen, (3) wie dient ze toe, (4) waaruit bestaat ze en (5) wat levert ze op? Talrijke casusbeschrijvingen en zes pilotstudies suggereren dat Geweldloos Verzet-interventies iets kunnen betekenen voor specifieke doelpopulaties. Edoch, amper vier peer-reviewed gecontroleerde studies zijn gepubliceerd. Hoewel ze empirische aanwijzingen geven dat Geweldloos Verzet effectief is, kunnen we momenteel volgens de criteria van Chambless en Hollon (1998) hooguit besluiten dat Geweldloos Verzet een ‘waarschijnlijk effectieve’ interventie is. Daarnaast ontbreekt het aan systematische procesevaluaties die ons meer inzicht kunnen verschaffen in de werkzame factoren van Geweldloos Verzet en in hetgeen nog kan/moet worden verbeterd. De empirische evidentie neemt toe maar hinkt hopeloos achterop bij de snelle evolutie van het gedachtengoed die gepaard gaat met een verruiming van doelen, doelgroepen en toepassingsgebieden. We eindigen met een voorstelling van een toekomstige onderzoeksagenda.

  • Acties van Geweldloos Verzet: Wie doet wat?

Auteur : Johan Vanderfaeillie

Coauteurs : Katrien Moors, Frank Van Holen

Geweldloos Verzet (GV) is een interventie die primair is ontwikkeld om ouders van kinderen met zelf-destructief gedrag te helpen. Later werd de interventie uitgewerkt voor andere problematieken (bijvoorbeeld angstige kinderen) en andere autoriteitsfiguren zoals pleegouders en begeleiders van begeleidingstehuizen. Daarnaast werd aan het meer curatieve GV met Nieuwe Autoriteit (NA) een preventief luik toegevoegd. Deze beweging resulteerde in een uitbreiding van de acties en aanpassingen aan het protocol. Hierdoor is echter niet meer heel duidelijk wat GV en NA inhouden en welke acties de kern vormen. In dit onderzoek werd nagegaan hoe vaak GV/NA-acties werden uitgevoerd en of er specifieke profielen van uitvoerders konden worden onderscheiden. Door 26 medewerkers van zes organisaties in de residentiele zorg werden 49 GV/NA-acties geordend op een schaal van -6 tot +6 in een quasi-normale verdeling. NA-acties werden meer uitgevoerd dan GV-acties. De variabiliteit inzake frequentie was echter zeer groot. Acties met de minste variabiliteit waren ik- en NA-acties. Twee profielen van uitvoerders konden worden geïdentificeerd. (1) een groep met meer acties van verzet gericht op de jongeren en (2) een groep met meer acties van verzet gericht op zichzelf. De organisatie was geassocieerd met het lidmaatschap tot een van beide profielen. Dit onderzoek toont dat er weinig eenduidigheid bestaat in de uitvoering van GV/NA. Het beleid van een organisatie lijkt bepalend inzake de uitvoering van GV/NA.

  • Vragenlijstonderzoek bij professionals die werken met Waakzame Zorg.

Auteur : Bart Colson

Inleiding: Geweldloos Verzet en Waakzame zorg werden al meermaals bestudeerd in de relatie ouder-kind. Zeer weinig is echter gekend over hoe professionals met deze houding of interventies omgaan in geval van conflict met een kind/jongere. Vanuit theoretisch perspectief zijn wel al kernelementen geopperd. Via een zelfbeoordelingsvragenlijst (Professionele AnkerFunctie Schaal – ProAFS) willen we op empirische wijze deze elementen in een professional – kindrelatie vaststellen. Methode: de steekproef werd samengesteld via gerichte uitnodigingen naar voorzieningen uit alle onderdelen van de integrale jeugdhulpkaart, alsook naar scholen en justitiële professionals. De survey gebeurde online. Deelnemers beantwoordden de items gebaseerd op hun ervaring en gedrag bij het recentste (werkgerelateerde) conflict met een kind/jongere tussen 2,5 en 18 jaar. Daarnaast werden ook controlevariabelen en valideringsvragenlijsten opgenomen. Aan de deelnemer werd bijvoorbeeld gevraagd hoe hevig zij dit conflict vonden in vergelijking met andere conflicten en werd een vragenlijst afgenomen die peilt naar hun algemene opvoedingsstijl op de werkvloer. Resultaten: 325 personen beantwoordden de survey volledig. We vinden voorlopig* indicaties voor een een licht ander factormodel (andere kernelementen) dan bij ouder-kindonderzoek. Discussie: Implicaties voor de praktijk worden besproken vanuit onder andere verschillen tussen Hulpverleners en Niet-Hulpverleners, alsook relevante invloeden van co-variabelen zoals graad van kennis van Waakzame Zorg en hevigheid van het conflict. We bespreken de beperkingen van onze eigen studie en verwijzen naar verder onderzoek, zowel nog lopend onderzoek door onszelf als op te nemen door externen. * De data worden verzameld tot 30/06/2019, maar zullen volledig zijn tegen 16-17/09/2019.

 

WETENSCHAPPELIJK SYMPOSIUM SW4 PLEEGZORG 

Maandag 16/09/2019 11:20 O&N2-BMW2

Contactpersoon : Johan Vanderfaeillie

Organisatie : Vrije Universiteit Brussel

Recent pleegzorgonderzoek aan de Vrije Universiteit Brussel

Auteur inleiding : Johan Vanderfaeillie

Inleiding :

In dit symposium worden de resultaten gepresenteerd van recent onderzoek in de Vlaamse pleegzorg uitgevoerd door de Vrije Universiteit Brussel. Pleegzorg is een waardevolle interventie. Een pleeggezin biedt immers meer continuïteit in relaties dan bijvoorbeeld een residentiële voorziening en kan beter voldoen aan de basisbehoeften van kinderen en jongeren met betrekking tot persoonlijke aandacht, overzichtelijkheid en genegenheid. Pleegzorg is echter ook een kwetsbare interventie. Hiervan getuigen o.a. de vele breakdowns. De eerste twee bijdragen in dit symposium focussen op elementen die kunnen bijdragen aan een versterking van pleegzorg. Een eerste onderzoek gaat de tevredenheid en ondersteuningsbehoeften van pleegouders na. Ondersteuning en tevredenheid met de pleegzorgplaatsing zijn immers geassocieerd met stabielere plaatsingen. De tweede bijdrage onderzoekt de kenmerken van succesvolle pleeggezinnen zoals gedefinieerd door pleegzorgwerkers. In de twee laatste bijdragen worden de resultaten gepresenteerd van onderzoek naar de uitkomsten van volwassenen die als jongere werden geplaatst. Van jongeren geplaatst in residentiële zorg en in pleegzorg wordt nagegaan hoe ze functioneren en dit in verhouding tot jongeren uit de algemene populatie.

  • Tevredenheid en ondersteuningsbehoeften van perspectiefbiedende pleegouders.

Auteur : Johan Vanderfaeillie

Coauteurs : Frank Van Holen

Wanneer kinderen niet meer thuis kunnen verblijven, is een pleegzorgplaatsing de eerste keuze. Kinderen verblijven in een pleeggezin dat begeleid wordt door een dienst voor pleegzorg. Pleegouders hebben een belangrijke en moeilijke opdracht. Echter, het vervullen van deze opdracht wordt vaak bemoeilijkt door gedragsproblemen van het pleegkind, conflicten met de ouders van het pleegkind, onvoldoende opvoedingsvaardigheden van de pleegouders en ontevredenheid van pleegouders met beslissingen genomen door pleegzorgbegeleiders of jeugdrechters. Deze moeilijkheden kunnen zelfs aanleiding geven tot een voortijdige beëindiging van de pleegzorgplaatsing. Omgekeerd, resulteren voldoende ondersteunen van pleegouders en tevredenheid van pleegouders in stabielere plaatsingen. Kennis over de ondersteuningsbehoeften en tevredenheid van pleegouders is dan ook noodzakelijk om de stabiliteit van pleegzorgplaatsingen te kunnen bevorderen. Aan de pleegouders van 2678 pleegkinderen in perspectiefbiedende pleegzorg werd een Vragenlijst Ondersteuningsbehoeften en Tevredenheid-Pleegouders bezorgd. 1216 (45%) van de pleegouders bezorgden de vragenlijst terug. 51% van de pleegouders vroegen ondersteuning omtrent minstens 1 probleemgedrag. Ze vragen meer ondersteuning voor internaliserend probleemgedrag in vergelijking met externaliserend probleemgedrag. 48% vraag ondersteuning bij contacten met de ouders. Gemiddelde scores inzake tevredenheid over de samenwerking met de pleegzorgwerker, vorming, onkostenvergoeding en het pleegkind zelf waren hoog (van 3.92 tot 4.64 op een schaal van 1 tot 5). Pleegouders waren het meest tevreden met het pleegkind en het minst met de vorming. Probleemgedrag en conflicten met de ouders zijn risicofactoren voor een voortijdige beëindiging van de plaatsing. Tevredenheid kan worden bevorderd door meer aandacht te besteden aan de vorming.

  • Kenmerken van succesvolle pleeggezinnen volgens pleegzorgbegeleiders.

Auteur : Frank Van Holen

Coauteurs : Lynn Geys, Delphine West, Laura Gypen & Johan Vanderfaeillie

Kenmerken van succesvolle pleeggezinnen werden geïdentificeerd met behulp van concept mapping. Een steekproef van 97 (van in totaal 505) pleegzorgbegeleiders uit alle Vlaamse pleegzorgvoorzieningen beantwoordden volgende vraag: “Welke kenmerken heeft een succesvol pleeggezin? Noem alles wat in je opkomt. Er zijn geen foute antwoorden.” Uit alle responsen selecteerden drie onderzoekers de unieke antwoorden. Vervolgens werden deze unieke antwoorden (n = 60) door 50 pleegzorgbegeleiders gegroepeerd en naar graad van belangrijkheid gescoord op een 7-puntschaal. Multidimensional scaling en hiërarchische clusteranalyse van deze 60 kenmerken resulteerden in volgende acht clusters van kenmerken, gepresenteerd in afnemende mate van belangrijkheid: bereidheid tot samenwerking met alle betrokkenen (pleegzorgbegeleiding, ouders), emotioneel-affectieve kenmerken, kenmerken die voorwaarden zijn voor stabiliteit, kindgerichte motivatie ondersteund door het hele gezin, aanpassingsvermogen, sociaal-cognitieve kenmerken, sociale en materiële kenmerken die voorwaarden zijn voor pleegzorg en kenmerken van een goede opvoeder. Alle clusters krijgen een hoge gemiddelde score op graad van belangrijkheid. Karakteristieken die pleegzorgbegeleiders koppelen aan succesvol pleegouderschap komen haast volledig overeen met bevindingen uit buitenlands onderzoek, al worden ze soms anders gegroepeerd of genoemd. Identificatie van kenmerken die verbonden zijn aan succesvol pleegouderschap dragen bij tot de ontwikkeling van een pleeggezinprofiel. Een duidelijk profiel vergroot de kans op selectie van kwaliteitsvolle pleeggezinnen, maakt gerichte training/voorbereiding mogelijk van gezinnen die aan bepaalde voorwaarden niet voldoen en draagt bij aan een kwaliteitsvolle matching en een meer gestandaardiseerde besluitvorming.

  • Langetermijnuitkomsten van uithuisplaatsing: opleiding, inkomen, tewerkstelling en huisvesting.

Auteur : Laura Gypen

Coauteurs : Johan Vanderfaeillie, Delphine West & Frank Van Holen

Wanneer een kind opgroeit in een onveilige situatie en hierdoor niet de kans krijgt om zich optimaal te ontwikkelen in het gezin van oorsprong is, kan een uithuisplaatsing noodzakelijk zijn. Eind 2016 waren in Vlaanderen bijna 18.000 kinderen uithuisgeplaatst. En hoewel pleegzorg de eerste keuze is, verblijft een aanzienlijk percentage jongeren in residentiële zorg (56,3%). Het doel van deze uithuisplaatsingen, is het kind veiligheid en stabiliteit bieden, met het oog op een betere toekomst. Internationaal onderzoek toont echter dat uit huis geplaatste jongeren het in de volwassenheid minder goed doen dan hun leeftijdsgenoten uit de algemene populatie. Ze hebben vaker lagere diploma’s en inkomens en een hogere kans op werkloosheid, dakloosheid en/of een slechte huisvesting.   In samenwerking met de Vlaamse pleegzorgdiensten en diverse residentiële voorzieningen uit de vijf Vlaamse provincies is een grootschalig longitudinaal onderzoek opgestart en werd momenteel data verzameld van 364 zorgverlaters. Deze jongeren vullen een uitgebreide vragenlijst in, waarin informatie verzameld wordt over volgende thema’s: onderwijs, tewerkstelling, inkomen, huisvesting, sociale relaties, gezondheid en criminaliteit. Daarnaast wordt de oorzaak van plaatsing, de hulpverleningsgeschiedenis en weerbaarheid van de jongere in kaart gebracht. De bevraging is voor een groot deel gebaseerd op eerdere nationale bevragingen vanuit de overheid (o.a. Gezondheidsenquete, Huishoudvragenlijst, SILC) waardoor een vergelijking met de Vlaamse bevolking mogelijk is. In dit symposium zullen de eerste resultaten betreffende opleiding, inkomen, tewerkstelling en huisvesting worden voorgesteld. Hierbij worden de resultaten van jongeren uit pleegzorg, residentiële zorg en de algemene populatie met elkaar vergeleken.

  • Langetermijnuitkomsten van uithuisplaatsing: sociale relaties, gezondheid, middelenmisbruik en criminaliteit.

Auteur : Laura Gypen

Coauteurs : Johan Vanderfaeillie, Delphine West & Frank Van Holen

Pleegzorg en residentiële zorg worden in Vlaanderen vaak ingezet voor kinderen en jongeren met individuele en contextuele moeilijkheden. Internationaal onderzoek geeft aan dat jongeren die gedurende hun kindertijd uit huis geplaatst zijn, het als volwassene minder goed doen dan hun leeftijdsgenoten uit de algemene populatie. Ze hebben significant minder stabiele sociale relaties, meer gezondheidsproblemen, een groter risico op drug- en alcoholmisbruik en komen vaker in contact met justitie. De laatste jaren is er ook in Vlaanderen steeds meer aandacht voor de effecten van een uithuisplaatsing. Niet zelden komen er schrijnende verhalen over deze kwetsbare groep zorgverlaters in de media, waarin meer aandacht gevraagd wordt voor hun welzijn, ook na het verlaten van de zorg.   In samenwerking met de Vlaamse pleegzorgdiensten en diverse residentiële voorzieningen uit de vijf Vlaamse provincies is een grootschalig longitudinaal onderzoek opgestart en werd data verzameld van 364 zorgverlaters. Deze jongeren vullen een uitgebreide vragenlijst in, waarin informatie verzameld wordt over volgende thema’s: onderwijs, tewerkstelling, inkomen, huisvesting, sociale relaties, gezondheid en criminaliteit. Daarnaast wordt de oorzaak van plaatsing, de hulpverleningsgeschiedenis en weerbaarheid van de jongere in kaart gebracht. De bevraging is voor een groot deel gebaseerd op eerdere nationale bevragingen vanuit de overheid (o.a. Gezondheidsenquete, Huishoudvragenlijst, SILC) waardoor een vergelijking met de Vlaamse bevolking mogelijk is. In dit symposium zullen de eerste resultaten betreffende sociale relaties, gezondheid, middelenmisbruik en criminaliteit worden voorgesteld. Hierbij wordt steeds een vergelijking gemaakt van resultaten uit pleegzorg, residentiele zorg en de algemene populatie.

 

WETENSCHAPPELIJK SYMPOSIUM SW5 SOMA en PSYCHE I

Maandag 16/09/2019 11:20 O&N1 - BMW1

Contactpersoon : Sofie Prikken

Organisatie : KU Leuven

Chronische ziekte bij kinderen en jongeren en hun gezin: Samen sterk? (Deel 1)

Auteur inleiding : Sofie Prikken

Coauteurs : Jurgen Lemiere

Inleiding :

Chronische ziektes bij kinderen en jongeren gaan vaak gepaard met aanzienlijke veranderingen in het leven van patiënten en hun familie. Dit betekent dat zowel patiënten als hun omgeving gevolgen van de ziekte kunnen ervaren op vlak van hun eigen dagelijkse leven, hun functioneren en hun gevoelsleven. Bovendien kan het functioneren van gezinsleden elkaar wederzijds be?nvloeden. Zowel in de klinische praktijk als in het onderzoeksveld wordt daarom in toenemende mate aandacht besteed aan het functioneren van deze gezinnen op korte en lange termijn. Hoewel de meeste gezinnen zich na verloop van tijd behoorlijk goed kunnen aanpassen, blijkt dit aanpassingsproces bij andere gezinnen moeizamer te verlopen. Om elk gezin de gepaste ondersteuning te kunnen bieden, is het belangrijk om inzicht te verwerven in algemene tendensen in het functioneren van deze gezinnen en om risicofactoren adequaat te kunnen inschatten. Deze inzichten zijn belangrijk om de geschikte psychosociale ondersteuning te kunnen aanbieden via het behandelende team in samenwerking met andere hulpverleners. Het huidige symposium maakt deel uit van een tweeluik met als centraal thema de rol, het functioneren en impact van het gezin bij een chronische ziekte van een kind of jongere. In het eerste deel (het huidige deel) wordt voornamelijk gefocust op het functioneren en de ervaringen van ouders. Bevindingen vanuit verschillende ziektebeelden worden gepresenteerd, namelijk neuromusculaire aandoeningen, nierziekten, type 1 diabetes en kinderoncologie.

  • De impact van deelname aan klinische studies op het psychosociaal welbevinden van jongens met Duchenne Musculaire Dystrofie en hun ouders.

Auteur : Joanna Willen, Pediatrie, UZ Leuven

Coauteurs : Sam Geuens

Duchenne Musculaire Dystrofie (DMD) is een X-gebonden en progressieve neuromusculaire aandoening die bij 1 op 3500 jongens voorkomt. Ondanks onderzoek naar nieuwe en veelbelovende behandelingen voor deze ziekte in de laatste decennia, is er tot op heden geen doeltreffende behandeling mogelijk. Het zoeken naar behandelingsmogelijkheden gaat gepaard met klinische studies waarbij een grote investering gevraagd wordt van jongens met DMD en hun ouders. Onderzoek naar de grootorde van deze investering en welke impact deze heeft op het psychosociaal welbevinden van deze participanten en hun gezin, is echter erg schaars. Op basis van een onderzoek dat we zelf uitvoerden zullen in deze bijdrage verschillende aspecten van participatie aan een intensieve klinische studie besproken worden. Enerzijds belichten we de mate van investering op vlak van tijd, dagelijks leven en het volgen van een studieprotocol. Anderzijds staan we stil bij de impact van deelname aan een dergelijke klinische studie op het psychosociaal welzijn van het gezin. Het onderzoek toonde immers aan dat er een grote investering op verschillende domeinen verwacht wordt en dat dit een impact heeft op gezinsdynamieken. Tijdens deze bijdrage zullen we aandachtspunten bespreken en handvaten aanreiken om begeleiding voor dergelijke gezinnen te voorzien.

  • De impact van chronische nierziekten op de kwaliteit van leven en het psychosociaal functioneren van kinderen en hun gezin.

Auteur : Lore Willem, Pediatrie, UZ Leuven

Coauteurs : Janne Houben

De dienst kindernefrologie van het UZ Leuven voorziet multidisciplinaire opvolging voor kinderen en adolescenten met een chronische nierziekte. Chronische nierziekten en eindstadium nierfalen in het bijzonder hebben een impact op de psychosociale ontwikkeling van het kind en het gezin. Het is dan ook van groot belang om deze kinderen en hun gezin systematisch op te volgen, zodat klinische interventies hierop kunnen worden afgestemd. Aan de hand van exploratief onderzoek bij deze patiëntenpopulatie wordt op systematische wijze het psychosociaal functioneren, de kwaliteit van leven, en de ziekte-gerelateerde stress in kaart gebracht bij zowel de patiënt als zijn/haar ouders. Doorheen de tijd worden deze kinderen en hun gezinnen opgevolgd, om op die manier te kunnen onderzoeken of het welbevinden verandert doorheen de ontwikkeling van het kind. Ten slotte wordt nagegaan of er verschillen zijn tussen bepaalde subgroepen van patiënten (bv dialysepatiënten, getransplanteerde patiënten, patiënten met chronische nierziekten stadia 1-5) in het psychosociaal welzijn. Data wordt verzameld aan de hand van vragenlijsten, in te vullen door zowel de patiënt als zijn/haar ouders. In deze bijdrage worden de eerste resultaten van de eerste meting besproken, met bijzondere aandacht voor de impact van de chronische nierziekte op de ziekte-gerelateerde stress bij ouders.

  • Ziekte-intrusiviteit bij moeders en vaders van jongeren met type 1 diabetes.

Auteur : Sofie Prikken, Doctoraatsstudent KU Leuven / FWO

Coauteurs : Koen Raymaekers, Leen Oris, Koen Luyckx

Type 1 diabetes bij jongeren heeft een impact op het gehele gezin. De ervaringen en het functioneren van ouders is belangrijk voor het functioneren van jongeren. Daarom focusten we in het huidige onderzoek specifiek op ouderlijke ziekte-intrusiviteit, namelijk het gevoel bij ouders dat de ziekte van hun kind hun eigen leven belemmert (bv. werksituatie, zelfontplooiing). Jongeren met type 1 diabetes (14-25 jaar) en hun ouders vulden viermaal vragenlijsten in over hun psychosociale functioneren. We selecteerden ouderparen waarvan zowel moeders als vaders deelnamen op de eerste meetronde (n=291). Op meetronde 4 (drie jaar later) namen 173 moeders en 168 vaders deel. Eerst onderzochten we hoe ziekte-intrusiviteit van moeders en vaders onderling samenhing over tijd. Enerzijds bleek ziekte-intrusiviteit afhankelijk van de eigen rapportering op een eerder tijdsmoment, maar ook de ziekte-intrusiviteit van de partner bleek belangrijk. Daarna onderzochten we of er subgroepen van ouders onderscheiden konden worden die verschilden op vlak van ziekte-intrusiviteit. Er werden drie klassen gevonden: een eerste grote groep vertoonde relatief weinig ziekte-intrusiviteit (n=157) en een tweede groep rapporteerde licht verhoogde scores (n=109). Een derde groep scoorde relatief hoog (n=25) en deze ouders rapporteerden ook meer depressieve symptomen dan de ouders in de andere groepen. Deze resultaten benadrukken het belang van een familiale aanpak aan bij de ondersteuning van gezinnen geconfronteerd met een chronische ziekte. Ervaringen van ziekte-intrusiviteit bij moeders en vaders blijken onderling samen te hangen. Het tijdig identificeren van ouders met verhoogde ziekte-intrusiviteit is van klinisch belang om deze gezinnen een intensievere ondersteuning te kunnen bieden.

  • Gezinnen en kinderkanker: Wat is de rol van het gezinsfunctioneren en de perceptie van de ziekte voor de individuele adaptatie van gezinsleden.

Auteur : Trui Vercruysse -- Marieke Van Schoors, Doctoraatsstudent / Assistent UGent

Coauteurs : Lesley L. Verhofstadt, Annick De Paepe, Koen Norga, Veerle Cosijns, Hanne Morren, Liesbet Goubert, Trui Vercruysse

Introductie: Kanker bij kinderen is een levensbedreigende ziekte met een duidelijke invloed op elk lid van een gezin (ziek kind, ouders, broers en zussen (brussen)). Gebaseerd op het ABCX model, werd de samenhang tussen gezinsfunctioneren en perceptie van de ziekte enerzijds en de individuele aanpassing op vlak van emoties en levenskwaliteit van patiënten, ouders en brussen anderzijds onderzocht, zowel binnen elk gezin als tussen de verschillende gezinnen. Methode: In totaal werkten 115 gezinnen mee (172 ouders, 60 patiënten en 78 brussen) waarbij een kind de diagnose van leukemie of non-Hodgkin lymfoom kreeg. Volgende vragenlijsten werden afgenomen: de Gezinsklimaatschaal, de Perceived Stress Scale, de Situation-Specific Emotional Reactions Questionnaire, de PedsQL en de Maudsley Marital Questionnaire. Tijd sinds diagnose varieerde van 0 tot 33 maanden, de gemiddelde leeftijd van de patiënt was 6.6 jaar. Resultaten: Het onderzoek toonde aan dat zowel het gezinsfunctioneren (emotionele verbondenheid en expressiviteit) als de perceptie van de ziekte (hanteerbaar vs. oncontroleerbaar) belangrijk zijn voor de individuele aanpassing (emoties en levenskwaliteit) van alle gezinsleden. Ook vonden we op basis van dit onderzoek verschillen tussen gezinsleden op vlak van gezinsfunctioneren, de perceptie van de ziekte, emoties (onzekerheid en positieve emoties) en levenskwaliteit. Vastgestelde verschillen binnen en tussen gezinnen tonen daarom de nood aan om elk familielid te screenen na diagnose en de begeleiding aan te passen zowel aan elk gezinslid als aan het gezin als geheel.

 

WETENSCHAPPELIJK SYMPOSIUM SW6 SOMA en PSYCHE II 

Maandag 16/09/2019 13:50 O&N1 - GA1

Contactpersoon : Jurgen Lemiere

Organisatie : UZLeuven

Chronische ziekte bij kinderen en jongeren en hun gezin: samen sterk? Deel 2

Auteur inleiding : Jurgen Lemiere

Coauteurs : Sofie Prikken

Inleiding :

Chronische ziektes bij kinderen en jongeren gaan vaak gepaard met aanzienlijke veranderingen in het leven van patiënten en hun familie. Dit betekent dat zowel patiënten als hun omgeving gevolgen van de ziekte kunnen ervaren op vlak van hun eigen dagelijkse leven, hun functioneren en hun gevoelsleven. Bovendien kan het functioneren van gezinsleden elkaar wederzijds beïnvloeden. Zowel in de klinische praktijk als in het onderzoeksveld wordt daarom in toenemende mate aandacht besteed aan het functioneren van deze gezinnen op korte en lange termijn. Hoewel de meeste gezinnen zich na verloop van tijd behoorlijk goed kunnen aanpassen, blijkt dit aanpassingsproces bij andere gezinnen moeizamer te verlopen. Om elk gezin de gepaste ondersteuning te kunnen bieden, is het belangrijk om inzicht te verwerven in algemene tendensen in het functioneren van deze gezinnen en om risicofactoren adequaat te kunnen inschatten. Deze inzichten zijn belangrijk om de geschikte psychosociale ondersteuning te kunnen aanbieden via het behandelende team in samenwerking met andere hulpverleners Het huidige symposium maakt deel uit van een tweeluik met als centraal thema de rol, het functioneren en impact van het gezin bij een chronische ziekte van een kind of jongere. Net zoals in het eerste deel wordt in het tweede deel ingegaan op het functioneren en ervaringen van ouders. In een eerste bijdrage wordt dit toegelicht op basis van onderzoek vanuit de dienst neonatologie. De tweede bijdrage belicht het belang van een goede inschatting van psychosociale risicofactoren. Een laatste bijdrage behandelt de impact van een chronische ziekte op het functioneren van brussen.

  • Prematuur ouderschap: depressie, angst, trauma en bonding bij ouders van premature baby’s.

Auteur : Bieke Bollen, UZLeuven

Coauteurs : Chiara Bernagie, Sarah Van Ransbeek, Christine Vanhole, Gunnar Naulaers

Wanneer een kind prematuur of ernstig ziek ter wereld komt, worden ouders zeer pril in hun ouderschap overspoeld door hevige emoties. Uit recente literatuur blijkt dat een premature geboorte potentieel traumatisch is voor ouders (Misund et al., 2014). De ‘Resilience study’ in UZ Leuven volgt de ontwikkeling van prematuur geboren baby’s én de ontwikkeling van de gehechtheidsrelatie tussen ouder en kind. Ouders van 136 preterme baby’s (e depressie- en angstscores vertonen. Een aanzienlijke groep ouders behaalt ook de criteria voor een acute en/of posttraumatische stress stoornis. We bespreken het verloop van deze symptomen doorheen de tijd, staan stil bij wat het onderzoek leert over vroege screening, en gaan in op risicoprofielen (kindfactoren, ouderfactoren) en beschermende factoren (bvb. de invloed van kangoeroezorg). Cortisol en oxytocine reactiviteit tijdens kangoeroezorg blijken bij te dragen aan de voorspelling van emotioneel welzijn en gevoelens van bonding bij ontslag. Onze bevindingen tonen het belang van psychologische ondersteuning voor deze kwetsbare groep van ouders.

  • Psychosociale ‘tegen’werkende factoren bij chronische ziekte.

Auteur : Jurgen Lemiere, UZLeuven

Coauteurs : Katrien Verhoeven, Charlotte Kerstens, Nathalie Nolf, Marieke Van Schoors, Trui Vercruysse

De confrontatie met een levensbedreigende of chronische ziekte op kinderleeftijd heeft niet enkel een grote impact op het fysiek functioneren, maar ook op het psychosociaal functioneren van het kind en zijn gezin en omgeving. Uit onderzoek blijkt dat psychosociale factoren een grote impact kunnen hebben op het ziekte-en behandelingsproces, maar ook op de kwaliteit van leven. In deze bijdrage zal een overzicht gegeven worden van de belangrijkste risico- en protectieve factoren. Voor de klinische praktijk is het belangrijk om deze factoren te kennen en vroegtijdig te detecteren. Er is een groeiende consensus dat een vroegtijdige screening van deze factoren een belangrijke meerwaarde vormt voor een efficiënte en effectieve psychosociale opvolging. Prof Kazak heeft een toonaangevend model (Pediatric Psychosocial Preventative Health model) ontwikkeld die de clinicus kan helpen om de impact van psychosociale factoren te begrijpen, maar ook om deze in kaart te brengen. Het onderzoeksteam van prof. Kazak heeft hiervoor een screeningsinstrument ontwikkeld: Psychosocial Assessment Tool (PAT). Uit onderzoek blijkt dat ongeveer 2 op 3 gezinnen ondanks de chronische ziekte redelijk goed kunnen blijven functioneren (universal groep). Ongeveer 1 op 4 gezinnen heeft een aantal psychosociale risicofactoren waardoor gerichte psychosociale ondersteuning aangewezen is (target groep). Een kleine groep van gezinnen heeft doorgedreven begeleiding nodig (treatment groep). Op de diensten kinderoncologie van het UZLeuven en UZ Gent is er een onderzoek lopende met een voor Vlaanderen vertaalde versie van de PAT. De eerste resultaten van dit onderzoek zullen besproken worden.

  • De rol en plaats van brussen in een gezin met een chronisch ziek kind.

Auteur : Trudy Havermans, UZLeuven

De relatie tussen broers en zussen (brussen) is ongetwijfeld uniek. Onderzoek heeft aangetoond dat brussen een specifiek plaats hebben in gezinnen met een chronische ziekte. Een positieve brussen-relatie in een gezin met een chronisch ziek kind is geassocieerd met minder eenzaamheid, minder gedragsproblemen en een beter gevoel van eigenwaarde. Bij een chronisch ziek kind kunnen brussen een zorgende rol op zich nemen. Deze rol kan een gunstig effect hebben, omdat deze zorgende rol het chronisch zieke kind afleidt van eigen emoties en brussen voelen zich minder machteloos of hulpeloos. Anderzijds rapporteren brussen ook regelmatig internaliserende problemen, waaronder eenzaamheid, angst of een laag zelfbeeld. Ziekte-gerelateerde aspecten bepalen mee de impact van een chronische ziekte op brussen, zoals ernst van de ziekte, behandeling etc. Leeftijd, geslacht spelen en gezinssamenstelling zijn factoren die het omgaan met een chronisch zieke broer of zus mee bepalen. De psychologische ontwikkelingsfase van een kind is belangrijk om de reactie van een brus te begrijpen als een kind zieker wordt of sterft; dit benadrukt het belang van een goede opvolging en eventueel voorbereiding van brussen. In conclusie: Een chronisch zieke broer of zus zal het leven van brussen beïnvloeden, maar dit is niet perse altijd negatief. Het is belangrijk stil te staan bij de rol van brussen in het leven van jonge patiënten, omdat brussen deel zijn van de kwaliteit van (het gezins-)leven, kwaliteit van zorg en waarschijnlijk ook aan het herstel.

  • Wat is de rol van de kinderpsychiater of psycholoog bij patiënten die een esthetische ingreep ondergaan?

Auteur : Cornelis Lisa (ASO) - Kinder- en Jeugdpsychiatrie UZ Brussel Polikliniek

Coauteurs : Dr. Smets Tine, Prof. Dr. Imeraj Lindita, Prof. Dr. Gordts Frans, Prof. Dr. Lampo Annik

Esthetische ingrepen zijn aan een sterke opmars bezig. Deze trend zet zich ook voort bij minderjarigen. Als maatschappij, gezondheidssector en overheid zijn we op zoek naar een geschikt ethisch-medisch-juridisch kader hiervoor. Sinds mei 2013 stelt de Belgische wetgeving dat: “Bij elke niet-heelkundige esthetisch-geneeskundige of esthetisch-heelkundige ingreep die bij een minderjarige wordt uitgevoerd een overleg dient plaats te vinden tussen de minderjarige, zijn wettelijke vertegenwoordiger of vertegenwoordigers en een geneesheer specialist in de psychiatrie of een psycholoog. Van dat overleg dient er een schriftelijk verslag te worden opgemaakt dat deel uitmaakt van het medisch dossier van de minderjarige.” Deze wetgeving is in werking getreden op 12 juli 2013. Aan de hand van een retrospectieve dossierstudie werd in kaart gebracht hoe dit wettelijk bepaald overleg met een kinderpsychiater of psycholoog i.k.v. een esthetische ingreep zich heeft vertaald in de consultaties op de dienst kinder- en jeugdpsychiatrie in het UZ Brussel. Er werd nagegaan welke kinderpsychiatrische en psychosociale vaststellingen er tijdens deze consultaties gebeurden en hoe deze zich verhouden tot de beschikbare literatuur over kinderpsychiatrische en psychosociale aspecten van esthetische ingrepen. Op basis hiervan trachten we de rol van de kinderpsychiater of psycholoog bij minderjarigen die een esthetische ingreep ondergaan te evalueren en de invulling van dit wettelijk bepaald overleg beter te definiëren.

 

WETENSCHAPPELIJK SYMPOSIUM SW11 ATTACHMENT BASED FAMILY THERAPIE 

Maandag 16/09/2019 11:20 O&N1 - GA2

Contactpersoon : Guy Bosmans

Organisatie : KU Leuven

Attachment-based Family Therapy: een evidence based framework voor gehechtheidsgerichte hulpverlening bij kinderen en jongeren.

Auteur inleiding : Guy Bosmans

Coauteurs : Tara Santens en Ilse Devacht

Inleiding :

Er is een toenemende erkenning van het belang van werken rond gehechtheidsrelaties in de zorg voor kinderen en jongeren. In het kader van de recent gepubliceerde verbeternota "Geblokkeerde ontwikkelingstrajecten bij kinderen en jongeren" werd werken rond gehechtheid geïdenticeerd als één van de belangrijke tekorten in de jeugdhulpverlening. Rond de precieze betekenis en de rol van gehechtheid en hoe hierrond hulpverlening georganiseerd moet worden bestaat er echter een palet aan visies, meningen, en interventies die onderling verschillen in de mate waarin ze aansluiten bij de gehechtheidstheorie, in de mate waarin ze aansluiten bij de bevindingen en de evidentie uit het gehechtheidsonderzoek, en in de mate waarin ze empirisch getoetst zijn oftewel in de mate waarin er evidentie bestaat dat deze interventies al dan niet ook een impact hebben op de (gehechtheids)ontwikkeling van kinderen en jongeren.   In dit symposium willen we Attachment-based Family Therapy (ABFT) voorstellen als een interventie die ontwikkeld werd in nauwe aansluiting bij de gehechtheidstheorie en bij de huidige stand van zaken in het gehechtheidsonderzoek. Bovendien is dit een interventie waarvoor ook wetenschappelijk is aangetoond dat het een model van relatie-herstel biedt dat een positieve impact heeft op de klachten in gezinnen. In dit symposium zal eerst een theoretische introductie gegeven worden waarbij de recentste inzichten in het gehechtheidsonderzoek vertaald worden naar hulpverlening en gelinkt worden aan ABFT. Vervolgens worden twee toepassingen in de Vlaamse hulpverlening toegelicht: ABFT bij thuisbegeleidingsdiensten in Bijzondere Jeugdzorg en ABFT bij jongvolwassenen opgenomen in een psychiatrische afdeling van Asster (Sint-Truiden). Telkens zal de werking en de evaluatie van de werking worden toegelicht.

  • Gehechtheidstheorie voor hulpverleners en Attachment-based Family Therapy.

Auteur : Guy Bosmans

Tijdens de conferentie opgroeien en ontwikkelingstrajecten georganiseerd door het nieuwe agentschap gezondheid naar aanleiding van de verbeternota "Geblokkeerde ontwikkelingstrajecten bij kinderen en jongeren" werd een commissie samengesteld die zich moest buigen over de (potentiële) rol van gehechtheid en gehechtheidstheorie in de Vlaamse hulpverlening. Deze commissie werd samengesteld uit vertegenwoordigers van alle zorgsectoren en soorten hulpverleningsvormen. Deze commissie bereikte consensus over hoe gehechtheid door hulpverleners zou geconceptualiseerd kunnen worden en welke principes belangrijk zijn bij het uitstippelen van een gehechtheids-stimulerend interventiebeleid. Tijdens deze introductie tot dit symposium zullen deze principes worden voorgesteld. Ter illustratie zullen ze worden gelinkt aan ABFT en zal er een update gegeven worden van de laatste stand van zaken in het internationaal ABFT onderzoek.

  • ABFT bij thuisbegeleidingsdiensten in Bijzondere Jeugdzorg.

Auteur : Tara Santens

ABFT is een interventie die in een gecontroleerde onderzoekscontext effectief is bevonden in het verminderen van depressieve symptomen en suïcidale ideatie bij adolescenten door het herstellen/versterken van gehechtheidsrelaties. In deze bijdrage gaan we dieper in op de vraag of/hoe ABFT geïmplementeerd kan worden in een minder gecontroleerde hulpverlenings¬context, zoals in de Vlaamse bijzondere jeugdzorg (BJZ). Sinds 2009 implementeerden drie Vlaamse thuisbegeleidingsdiensten ABFT in hun werking. In deze bijdrage lichten we onderzoeksresultaten toe met betrekking tot vier implementatie-uitkomsten. Ten eerste verkenden we of de ABFT doelen geschikt zijn voor BJZ jongeren. We onderzochten of de focus van ABFT op het verminderen van depressieve symptomen en het herstellen van gehechtheidsrelaties relevant is voor deze doelgroep. Ten tweede gingen we na of BJZ aanbieders open staan voor ABFT implementatie en of deze openheid verder kan worden gestimuleerd. Ten derde bestudeerden we of BJZ aanbieders ABFT succesvol kunnen inzetten om depressieve symptomen van BJZ jongeren te verminderen. Tot slot brachten we de factoren in kaart die de implementatie van ABFT in thuisbegeleidingsdiensten van BJZ belemmerden of vergemakkelijkten. De bevindingen suggereren dat de implementatie van ABFT een sterk potentieel heeft om het emotioneel welbevinden van BJZ jongeren te verhogen en dat het geloof van thuisbegeleiders in de meerwaarde van ABFT hen sterkt in het omgaan met implementatiebarrières.

  • ABFT bij jongvolwassenen, opgenomen in een psychiatrische afdeling van Asster (Sint-Truiden).

Auteur : Ilse Devacht

Sinds een viertal jaar bieden we aan gezinnen van jongvolwassenen met multi-problematiek, opgenomen in een residentiële setting, ABFT gezinstherapie. In deze bijdrage gaan we kort in op de vragen als: Is gezinstherapie nog iets is wat jongvolwassenen willen/kunnen aangaan? Zijn ouders van residentieel opgenomen jongvolwassenen (nog) te engageren voor gezinstherapie? Verloopt ABFT voor deze gezinnen anders? Bereik je nog iets van relationeel herstel tussen jongvolwassenen en hun ouders? Wat zijn jongvolwassenen daar nog mee, is het al niet veel te laat? In de antwoorden op deze vragen, leggen we de verzamelde evidentie tot nog toe voor; er is een forse afname van het aantal isolaties en fixaties op onze afdeling, jongvolwassenen en ouders rapporteren tevredenheid over de aanpak en slechts een heel kleine fractie (3%) van de jongeren en ouders die de ABFT aangeboden kregen, weigerde zich te engageren. Zo kunnen we een realistisch perspectief voorleggen op wat gehechtheidsgerichte zorg kan betekenen, ook nog voor (jong)volwassenen, dat hoopvol is.

 

WETENSCHAPPELIJK SYMPOSIUM SW14 EET- EN GEWICHTSPROBLEMEN 

Maandag 16/09/2019 13:50 O&N2 - BMW4

Contactpersoon : Lien Goossens

Organisatie : Universiteit Gent - Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen

Nieuwe inzichten inzake de verklaring en behandeling van eet-en gewichtsproblemen bij jongeren.

Auteur inleiding : Lien Goossens

Inleiding :

Eet- en gewichtsproblemen komen frequent voor bij jongeren en kunnen leiden tot ernstige fysieke en psychosociale gevolgen. De voorbije jaren is het onderzoek naar mechanismen ter verklaring van deze problematieken bij Vlaamse jongeren toegenomen. Inzicht hierin is belangrijk aangezien het richting kan geven aan preventie- en interventieprogramma’s. Dit symposium biedt een overzicht van een aantal nieuwe inzichten op dit domein en dit via studies met verschillende onderzoeksdesigns bij jongeren uit zowel de algemene populatie alsook bij klinische groepen. In een eerste presentatie (M. Verschueren) wordt aan de hand van een longitudinaal design dieper ingegaan op de rol van identiteit in de verklaring van eetstoornissymptomen bij adolescenten. Vervolgens wordt in een tweede presentatie (E. Van Malderen) toegespitst op de verklaring van eetbuien bij adolescenten, waarbij door middel van een experimenteel mood-inductie design nagegaan wordt in welke mate zelfregulatie en negatief affect een rol spelen bij het ervaren van controleverlies over eten. In beide presentaties zal gefocust worden op mogelijke implicaties van deze nieuwe inzichten voor de klinische praktijk. In de daaropvolgende presentaties wordt specifiek ingegaan op het resultaat van twee nieuwe interventies voor de behandeling van eet- en gewichtsproblemen. Zo worden in een derde presentatie (E. Boelens) de resultaten besproken van een studie naar de haalbaarheid van een emotieregulatie training bij jonge adolescenten in een residentiële obesitas-setting. In een laatste presentatie (T. Naets) zullen de resultaten besproken worden van een randomized controlled trial naar de effecten van zelfcontroletraining op het eetgedrag en welbevinden van kinderen en adolescenten met obesitas.

  • Eetstoornissymptomen en identiteitsontwikkeling in de adolescentie: Een longitudinale aanpak.

Auteur : Margaux Verschueren

Coauteurs : Laurence Claes, Amarendra Gandhi, Koen Luyckx

Onderzoeksvragen. Eetstoornissymptomen omvatten zowel psychologische als gedragsmatige aspecten van subklinische eetproblemen. Het zijn duidelijke voorlopers van de ontwikkeling van een klinische eetstoornis, waarbij het dan ook cruciaal is om mogelijke antecedenten en correlaten ervan te onderzoeken in kader van eetstoornispreventie. De huidige studie focust op identiteitsontwikkeling, een belangrijke ontwikkelingstaak in de adolescentie, die meer en meer geassocieerd wordt met eetstoornissymptomen. Methode. Data omtrent eetstoornissymptomen en identiteitsontwikkeling werden op 3 jaarlijkse momenten verzameld bij 528 middelbare school studenten (op moment 1: 50.6% vrouwelijk, Mleeftijd=15 jaar, SD = 1.84, 12-18 jaar) aan de hand van zelfrapporteringsvragenlijsten. Cross-lagged structural equation modeling werd gebruikt om de richting van het verband na te gaan. Resultaten. Resultaten toonden bidirectionele effecten aan tussen eetstoornissymptomen en identiteitsontwikkeling. Identiteitssynthese lijkt adolescenten te beschermen tegen lichaamsontevredenheid en bulimia symptomen, terwijl identiteitsverwarring deze symptomen net lijkt te verhogen. Omgekeerd verhogen bulimia symptomen en lichaamsontevredenheid de kwetsbaarheid voor identiteitsverwarring, waarbij lichaamsontevredenheid ook identiteitssynthese belemmert overheen de tijd. Discussie. De huidige studie levert interessante bevindingen op die de literatuur rond identiteit en eetstoornissen uitbreidt, aangezien het focust op hun samenspel doorheen de tijd in een adolescentengroep. Aangezien bidirectionele effecten tussen identiteit en eetstoornissymptomen werden gevonden, draagt de studie bij aan het idee dat er een grotere nadruk dient te worden gelegd op het identiteitsfunctioneren in preventieprogramma’s voor eetstoornissen.

  • Negatief Affect als Trigger voor Controleverlies over Eten bij Adolescenten met Zelfregulatieproblemen.

Auteur : Eva Van Malderen

Coauteurs : Lien Goossens, Sandra Verbeken, Eva Kemps

Onderzoeksvragen: Controleverlies over eten is een prevalent gegeven bij adolescenten en is geassocieerd met ongewenste fysieke en psychosociale ontwikkelingsuitkomsten. Moeilijkheden in zelfregulatie worden recent naar voor geschoven als een onderliggende factor bij controleverlies over eten, maar de specifieke context waarin deze moeilijkheden optreden blijft onduidelijk. Het affect regulatiemodel stelt negatief affect voorop als trigger voor controleverlies over eten. Het doel van de huidige studie is om de rol van beide factoren (zelfregulatie en negatief affect) te onderzoeken in de verklaring van controleverlies over eten bij adolescenten aan de hand van een experimenteel mood-inductie design. Methode: Participanten zijn 50 adolescenten (10 – 18 jaar; 76% meisjes; M leeftijd = 14.22 jaar; SD = 2.58) van de algemene populatie. Adolescenten rapporteren over hun zelfregulatiemogelijkheden en werden random toegewezen aan een verdrietige of neutrale mood-inductie conditie. Na de inductie werd een voedselbuffet aangeboden waarbij adolescenten zoveel mochten eten als ze wilden. Alle adolescenten rapporteerden nadien over het gevoel van controleverlies tijdens het eten. Resultaten: De resultaten tonen een significante interactie tussen zelfregulatie en mood-inductie bij de verklaring van controleverlies over eten. Adolescenten met meer moeilijkheden in zelfregulatie ervaarden meer controleverlies over het eten, maar enkel in de verdrietige conditie. Discussie: De resultaten suggereren dat negatief affect een belangrijke trigger kan zijn voor controleverlies over eten bij jongeren met moeilijkheden in zelfregulatie. Theoretische en praktische implicaties zullen besproken worden.

  • Een kortdurende emotieregulatietraining bij (jonge) adolescenten met obesitas.

Auteur : Elisa Boelens

Coauteurs : Taaike Debeuf, Sandra Verbeken, Brenda Volkaert, Caroline Braet

Onderzoeksvragen: Recent onderzoek toont aan dat een gebrek aan adequate emotieregulatie (ER) aan de basis ligt van emotioneel eten. De huidige studie heeft als doel de haalbaarheid te onderzoeken van een twee uur durende ER-training bij jonge adolescenten (n = 50) met obesitas (M_leeftijd = 12.26). Methode: Deelnemers werden willekeurig toegewezen aan één van de drie condities waarin ze één adaptieve ER-strategie (afleiding, cognitieve herwaardering of acceptatie) aangeleerd kregen. Doorheen de training scoorden jongen hun gevoelens aan de hand van Visual Analogue Scales (VAS). De deelnemers kregen een moodinductiefilm te zien met de instructie nadien de geleerde ER-strategie gebruiken om hun negatieve affect te doen dalen en hun positief affect te doen stijgen. De dagen na de workshop kregen ze vijf opeenvolgende dagen een huiswerkopdracht om de aangeleerde strategie verder te trainen. Zowel participanten, trainers als hulpverleners vulden na de training een vragenlijst rond haalbaarheid in. Resultaten: Uit de resultaten blijkt dat adolescenten in staat zijn om adaptieve ER-strategieën aan te leren. In alle condities werd na het gebruik van de aangeleerde strategie een significante daling van negatief affect en een significante stijging van positief affect gevonden. Verder werd de training positief onthaald door zowel participanten, trainers als hulpverleners. Daarnaast werd aangegeven dat de training te lang duurde en dat de praktische organisatie belastend is voor hulpverleners. Ook het volhouden van huiswerk vormt een aanzienlijke barri?re voor de interventie. Discussie: Op basis van deze resultaten werd een 12 weken durende ER-training ontwikkeld die geëvalueerd wordt.

  • De effectiviteit van een e-health zelfcontroletraining ter verbetering van een residentiële jeugdobesitasbehandeling.

Auteur : Tiffany Naets

Coauteurs : Leentje Vervoort, Eline Vermeiren, Annelies Van Eyck, Ann Tanghe, Caroline Braet

Onderzoeksvragen: De langetermijneffecten van de gouden standaard jeugdobesitasbehandeling, de “Multidisciplinary Obesity Treatment” (MOT) kunnen nog steeds verbeterd worden, onder andere door het aanpakken van onderliggende mechanismes voor langdurige gewichtscontrole. Evidentie benadrukt steeds meer de rol van duale zelfcontroleprocessen. Individuen met obesitas vertonen vaak sterke bottom-up reactiviteit voor ongezonde voeding (o.a. een aandachtsbias), die onvoldoende gereguleerd kan worden door te zwakke top-down executieve functies (o.a. inhibitieproblemen). De impact van aandachts- en inhibitietraining werd reeds aangetoond bij zowel volwassenen als kinderen.   In deze RCT wordt de effectiviteit nagegaan van een e-health zelfcontroletraining bovenop een residentiële MOT. Methode: Op verschillende parameters worden de uitkomsten vergeleken van een experimentele versus een actieve controlegroep, bestaande uit jongeren van 8 t.e.m. 18 jaar met matige tot ernstige obesitas (n=187). Resultaten: In deze studie worden veranderingen op pre- en postniveau geëxploreerd, gezien follow-up data nog steeds verzameld wordt. In vergelijking met de actieve controlegroep, wordt betere vooruitgang verwacht in de experimentele conditie op vlak van gewicht, eetgedrag en internaliserende symptomen. Preliminair werden veranderingen vastgesteld op vlak van zelfcontroleprocessen en maladaptief eetgedrag. Discussie: Zelfcontroletraining is een belangrijke facilitator om langdurige gewichtscontrole te bewerkstelligen, en om zo de effectiviteit van de standaardbehandeling te verbeteren.

 

WETENSCHAPPELIJK SYMPOSIUM SW1 ZELFBESCHADIGEND GEDRAG 

Maandag 16/09/2019 11:20 O&N2 - BMW4

Contactpersoon : Tinne Buelens

Organisatie : KU Leuven - Onderzoekseenheid Klinische Psychologie

Het lichaam centraal... zelfverwonding en verstoord eetgedrag bij adolescenten.

Auteur inleiding : Laurence Claes

Inleiding :

In dit symposium focussen we op onderzoek en behandeling van zelfverwonding en verstoord eetgedrag bij adolescenten in de populatie. We staan stil bij de prevalentie, de co-morbiditeit en de verklaringsfactoren van deze gedragingen. Onderzoek toont aan dat zowel zelfverwonding als eetstoornissymptomen frequent voorkomen bij adolescenten, dat emotie-regulatie een belangrijke functie is en dat een negatief zelf- en lichaamsbeeld een belangrijke rol speelt in het tot stand komen van deze gedragingen. In dit symposium wordt op elk van voornoemde elementen verder ingegaan. Margaux Verschueren focust op ontwikkelingstrajecten van eetstoornissymptomen doorheen de tijd bij jongens en meisjes, en onderzoekt de gelijkenissen en verschillen tussen deze trajectklassen. Nina Palmeroni zoomt verder in op de rol van de identiteitsontwikkeling en eetstoornissymptomen, met specifieke aandacht voor het verstoorde lichaamsbeeld. Naast eetstoornissymptomen, richt ook zelfverwondend gedrag zich op het lichaam. Tinne Buelens geeft een overzicht van het nieuwe zelfbeschadigingssyndroom in de DSM-5 en beschrijft de kenmerken ervan op basis van onderzoek in een Vlaamse populatie van adolescenten. Tot slot zal Laurence Claes deze onderzoeksbevindingen vertalen naar de klinische praktijk, waarin hulpverlener en adolescent samen zoeken naar meer zelfzorg op de drie lijnen van de geestelijke gezondheidszorg.

  • Eetstoornissymptomen doorheen de adolescentie.

Auteur : Margaux Verschueren

Coauteurs : Laurence Claes, Nina Palmeroni, Annabel Bogaerts, Amarendra Gandhi, Philip Moons, Koen Luyckx

Inleiding. Eetstoornissymptomen komen vaak voor in de adolescentie en zijn belangrijke voorlopers van klinische eetstoornissen. Dit onderzoek poogt (1) het ontwikkelingstraject van eetstoornissymptomen te onderzoeken doorheen de adolescentie, (2) verschillende trajectklassen te identificeren, en (3) na te gaan in welke mate deze klassen samenhangen met de ontwikkeling van identiteitsfunctioneren, internaliserende klachten en effortful control.   Methoden. De studie omvat 3 jaarlijkse meetmomenten, waarbij 530 middelbare schoolstudenten deelnamen op moment 1 (50.6% vrouwelijk; Mleeftijd=15 jaar; 11-19 jaar). Ieder jaar vulden de deelnemers zelfrapportagevragenlijsten in. Groeicurve-analyses werden uitgevoerd om de onderzoeksvragen te onderzoeken.   Resultaten. Op groepsniveau werden stabiele groeicurven gevonden voor het najagen van dunheid en lichaamsontevredenheid, en bleken bulimia symptomen en BMI te stijgen doorheen de tijd. Er werden echter belangrijke geslachtsverschillen gevonden, waarbij meisjes gemiddeld meer eetsymptomen ervoeren dan jongens. Verder toonden de resultaten aan dat er meer diverse trajectklassen onderscheiden konden worden bij meisjes (Klasse 1: gemiddeld gewicht en weinig symptomen, Klasse 2: bijna ondergewicht en weinig symptomen, Klasse 3: gemiddeld gewicht en veel symptomen, Klasse 4: overgewicht en veel symptomen) dan bij jongens (Klasse 1: gemiddeld gewicht en weinig symptomen, Klasse 2: overgewicht en veel symptomen). Tenslotte waren de klassen gerelateerd aan de ontwikkeling van de psychologische correlaten, waarbij adolescenten met een kwetsbaar eetprofiel de minst adaptieve ontwikkeling vertoonden.   Conclusie. De huidige studie onderstreept het belang van het identificeren van kwetsbare adolescenten die meer eetstoornissymptomen ervaren, aangezien zij ook meer moeilijkheden ervaren in de ontwikkeling van identiteit, internaliserende symptomen en effortful control.

  • Identiteitsverwarring in de adolescentie en opkomende volwassenheid: Het verband met lichaamsbeeld en verstoord eetgedrag.

Auteur : Nina Palmeroni

Coauteurs : Laurence Claes, Margaux Verschueren, Koen Luyckx

Probleemstelling. Identiteitsverwarring is een vaak voorkomend probleem tijdens de adolescentie, maar blijft ook aanhouden in de overgang naar de jongvolwassenheid bij vele jongeren. Daarenboven zijn lichaamsontevredenheid en verstoord eetgedrag erg prevalent tijdens deze levensfase. We presenteren twee cross-sectionele studies waarin we (1) identiteitsverwarring doorheen de adolescentie en opkomende volwassenheid bespreken en, (2) waarin we de rol van identiteitsverwarring in lichaamsbeeld en verstoord eetgedrag onderzoeken. Methodes. In Studie 1 onderzochten we de prevalentie van identiteitsverwarring doorheen de adolescentie en opkomende volwassenheid. We vroeger hiervoor aan 2,286 individuen tussen 14 en 30 jaar (Mleeftijd=18.04; SDleeftijd=3.06; 55.7% vrouwen) om een vragenlijst in te vullen omtrent identiteitsverwarring. In Studie 2 onderzochten we het verband tussen identiteit en verstoord eetgedrag, en de mediërende rol van lichaamsbeeld hierin bij 332 adolescenten (14-19 jaar; Mleeftijd=15.99 jaar; SDleeftijd=1.00; 71.50% vrouwen). Deelnemers vulden vragenlijsten in over identiteit, lichaamsbeeld en verstoord eetgedrag. Resultaten. Studie 1: Identiteitsverwarring vertoonde een sterke stijging doorheen de adolescentie, terwijl de hoogste cijfers voorkwamen tijdens de opkomende volwassenheid. Studie 2: Er werd een direct verband gevonden tussen verstoorde identiteit en bulimia. De verbanden tussen gebrek aan identiteit en verstoord eetgedrag (drive for thinness, bulimia) en tussen identiteitssynthese en drive for thinness werden gemedieerd door lichaamstevredenheid. Discussie. Identiteitsverwarring is een erg prevalent probleem bij zowel adolescenten als jongeren in de transitie naar de jongvolwassenheid. Daarenboven speelt identiteitsverwarring een belangrijke rol in de ontwikkeling van lichaamsontevredenheid en verstoord eetgedrag.

  • Het zelfverwondingssyndroom in DSM-5: Een bijdrage aan de ontwikkeling en verfijning van klinisch relevante criteria.

Auteur : Tinne Buelens

Coauteurs : Koen Luyckx, Glenn Kiekens, Amarendra Gandhi, Jennifer Muehlenkamp, Laurence Claes

Inleiding. Het zelfverwondingssyndroom (Non-Suicidal Self-Injury Disorder; NSSI-D) werd geïncludeerd als een “verder te onderzoeken syndroom” in de meest recente versie van de DSM. Een voorstel tot een nieuw syndroom vraagt om onderzoek naar de prevalentie en relevantie van de voorgestelde diagnostische criteria. Methoden. In totaal namen 2162 leerlingen deel aan deze studie (54% meisjes, 10 – 21 jaar, Mleeftijd = 14.68), verspreid over acht Vlaamse scholen. Via zelfrapportage vragenlijsten brachten we het zelfverwondend gedrag en de DSM-5 criteria voor het zelfverwondingssyndroom in kaart.   Resultaten. Het zelfverwondingssyndroom kon worden gediagnosticeerd bij 7.6% van de leerlingen en kwam meer voor bij meisjes (11.7%) dan bij jongens (2.9%). Leerlingen uit het KSO (15.9%) kwamen vaker in aanmerking voor de diagnose dan leerlingen uit het ASO (6.8%) of TSO (4.8%). Het zelfverwondingssyndroom bleek gerelateerd aan een breder risicoprofiel; deze jongeren rapporteerden een grotere verscheidenheid aan zelfverwondingsmethoden en gaven aan online vaak op zoek te gaan naar informatie en online conversaties te voeren met anderen over zelfverwonding. De DSM-5 criteria om deze diagnose te stellen, bleken echter een aantal gebreken te vertonen: het prevalentiecijfer was erg afhankelijk van één criterium, twee andere criteria werden door 87 tot 99% van het sample beaamt én vertoonden bovendien een sterke overlap.   Conclusie. Het zelfverwondingssyndroom komt vaak voor in Vlaamse scholen, in het bijzonder bij meisjes en leerlingen uit het KSO. Echter, de voorgestelde DSM-5 criteria voor deze diagnose staan nog niet op punt; verdere aanpassingen moeten ervoor zorgen dat toekenning van het zelfverwondingssyndroom evidence-based en klinisch betekenisvol is.

  • Op zoek naar meer zelfzorg: De behandeling van zelfbeschadigend gedrag! Van wetenschap naar praktijk op de 1ste, 2de en 3de lijn.

Auteur : Laurence Claes

De 20 voorbije jaren heeft ons onderzoek zich gefocust op de diagnostiek en de behandeling van zelfbeschadigend gedrag (o.a. eetstoornissen, zelfverwonding) bij jongeren en hun context. In deze presentatie zou ik willen tonen hoe inzichten uit de wetenschap op vlak van diagnostiek (onderkenning, verklaring) en behandeling van zelfbeschadigend gedrag zich kan vertalen naar de klinische praktijk, waarin de zoektocht naar zelfzorg centraal staat. Deze vertaalslag richt zich op de jongeren zelf, zijn/haar context (ouders, leerkrachten) en de hulpverlening in de eerste, de tweede en de derde lijn. De specifieke aandachtspunten voor de diagnostiek en aanpak van zelfbeschadigend gedrag voor de verschillende hulpverleners zullen aan bod komen en zijn gebaseerd op eigen onderzoek en ervaring in het werken met deze jongeren en hulpverleners. We staan stil bij doorverwijzing, motivatie, therapie, besmettingsgevaar van dit type van gedrag en hoe er mee om te gaan, en hervalpreventie. Het geheel wordt geïllustreerd met citaten uit de praktijk van cliënten, ouders en/of hulpverleners. Ik hoop op deze wijze de wederzijdse inspiratie van onderzoek en praktijk te illustreren, in de hoop om ‘vanuit verbinding’ tussen onderzoek en praktijk, maar ook tussen hulpverleners op de verschillende lijnen van de zorg en alle betrokkenen, de zoektocht naar zelfzorg van de jongere optimaal te helpen ondersteunen.