Wetenschappelijke symposia dinsdag

WETENSCHAPPELIJK SYMPOSIUM SW8 ADHDynamisch 

Dinsdag 17/09/2019 11:50 O&N2 - BMW2

Contactpersoon : Matson Driesen

Organisatie : KU Leuven - Klinische Psychologie

ADHDynamisch: van emotionele labiliteit en stigma tot bewegingselastieken bij ADHD.

Auteur inleiding : Saskia Van der Oord

Inleiding :

In dit symposium worden diverse aspecten van ADHD besproken. Als eerste komt er een onderzoek aan bod over de relatie tussen ADHD-symptomen en emotionele labiliteit bij kinderen en adolescenten. Een tweede onderzoek gaat in op de stigmatisering van ADHD in de Vlaamse media. Hiertoe wordt de berichtgeving in dagbladen over ADHD vergeleken met de berichtgeving over ASS. Naast stigmatisering van ADHD in de media worden kinderen en jongeren met ADHD ook geconfronteerd met stigma op school. In het derde onderzoek werd dan ook in samenwerking met ZitStil een lessenpakket ontwikkeld voor leerlingen van de tweede graad secundair onderwijs. Doel is om via psycho-educatie of een inleefmoment de attitude van leerkrachten en leerlingen t.a.v. ADHD te verbeteren en de klassfeer te bevorderen. Tot slot zien we dat heel wat scholen en clinici op zoek gaan naar innovatieve manieren om de prestaties van kinderen met ADHD te verhogen. In het laatste onderzoek van de KU Leuven en de UGent wordt dan ook het effect nagegaan van fidget spinners en bewegingselastieken op de schoolse prestaties van lagereschoolkinderen met en zonder ADHD-symptomen. In alle onderzoeken trachten we zoveel mogelijk de stem en de ervaringen van de kinderen en jongeren zelf aan bod te laten komen.

  • Emotionele labiliteit bij kinderen en adolescenten: Leven op een emotionele rollercoaster.

Auteur : Dagmar Van Liefferinge

Coauteurs : Edmund Sonuga-Barke, Nady Van Broeck, Marina Danckaerts, Saskia Van der Oord

Emotionele labiliteit (EL) staat voor het vaker en intenser ervaren en uiten van negatieve emoties, emoties die onvoorspelbaar zijn en zeer sterk kunnen schommelen. EL bij kinderen en adolescenten hangt samen met verschillende psychische problematieken waaronder Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder (ADHD) en heeft vaak een ernstige impact op het leven van deze kinderen en adolescenten. EL wordt vaak gemeten aan de hand van vragenlijsten, maar hangen deze metingen ook samen met de emoties van kinderen en jongeren in hun dagelijks leven? In dit doctoraatsonderzoek werd de relatie tussen ADHD-symptomen, EL-vragenlijsten en real-time rapportages van emotionele ervaringen en expressies in het dagelijkse leven en binnen een experimentele context onderzocht. Daarnaast werd de rol van neuropsychologische functies in de relatie tussen EL en ADHD-symptomen geëxploreerd aan de hand van meerdere methoden. Uit de verschillende studies binnen dit doctoraatsproefschrift kwamen de volgende resultaten naar voor. Antwoorden op vragenlijsten die EL meten hingen duidelijk samen met hoe kinderen hun emoties uiten binnen een experimentele context. Ook de antwoorden van de adolescenten op EL-vragenlijsten hingen samen met hoe de adolescent zijn emoties ervaarde in het dagelijkse leven. Verder zagen we dat zowel bij kinderen als bij adolescenten EL vaak samen voorkomt met ADHD-symptomen. Ten slotte bleek dat twee neuropsychologische functies die vanuit vroeger onderzoek gelinkt werden aan ADHD ook samenhingen met EL. Problemen op vlak van executieve functies en toestandsregulatie bleken zowel samen te hangen met ADHD-symptomen als met EL en zouden dus mogelijks kunnen verklaren waarom EL zo vaak gezien wordt bij kinderen en adolescenten met ADHD.

  • Vergelijkend onderzoek naar structureel stigma bij ADHD en autismespectrumstoornis in de Vlaamse dagbladen.

Auteur : Dieter Baeyens

Coauteurs : Ann Moniquet, Marina Danckaerts, Saskia Van der oord

Jongeren en volwassenen met ADHD en autismespectrumstoornis (ASS) worden regelmatig geconfronteerd met stigmatisering. Dit werd reeds uitvoerig aangetoond wat betreft publiek stigma, maar veel minder voor negatieve berichtgeving in de media, een vorm van structureel stigma. Het doel van dit onderzoek is dan ook om (verschillen in) structureel stigma in de berichtgeving over ADHD en ASS in Vlaamse dagbladen in kaart te brengen. Op basis van de onlinedatabestanden van 7 Vlaamse dagbladen werden artikelen, gepubliceerd tussen 2010 en 2014, over ADHD (n = 772) en ASS (n = 1940) geselecteerd. Deze artikelen werden gecategoriseerd wat betreft domein van berichtgeving (bijv. symptomen, epidemiologie of medicamenteuze behandeling) en strekking (nl. positief, neutraal en negatief). Uit de resultaten blijkt er significant meer negatieve dan neutrale/positieve berichtgeving over ADHD dan over ASS (OR 2.1). Deze bevinding was het meest uitgesproken in de domeinen symptomen (OR 8.42), diagnostiek (OR 2.28) en medicamenteuze behandeling (OR 9.40). Bovendien werd – uitsluitend voor ADHD – vastgesteld dat de titel negatiever was dan het eigenlijke artikel (?2(2) = 22,454; p

  • “Omgaan met verscheidenheid” in het secundair onderwijs: evaluatie van lespakketten voor destigmatisering van ADHD.

Auteur : Dieter Baeyens

Coauteurs : Gitte Deweerdt, Marjo Helsen, Ria Van Den Heuvel, Saskia Van der Oord

Meer dan gelijk welke andere (gedrags)stoornis wordt ADHD door leerkrachten en medeleerlingen gestigmatiseerd (Lebowitz, 2013). Voorbeelden in de klascontext zijn dat leerkrachten de prestaties van leerlingen met ADHD stelselmatig negatiever inschatten dan hun objectieve prestatie nadien (Eisenberg & Schneider, 2007) en dat medeleerlingen de voorkeur geven om niet samen te werken met een leerling met ADHD (Bussing et al., 2011). Constructief omgaan met verscheidenheid in de klascontext blijkt dus geen evident gegeven. Stigma zet bovendien een reeks negatieve gevolgen in gang bij de persoon met de problematiek (bv. verlaagd zelfvertrouwen). Tegelijk leidt stigmatisering tot een negatieve klassfeer (Mellor, 2014) wat op zijn beurt de kans op negatief gedrag verder verhoogt. Willen we deze negatieve spiraal doorbreken, anders gesteld willen we de eindterm “omgaan met verscheidenheid” (hier initieel toegepast op ADHD) bereiken, dan moeten we leerlingen een gepast aanbod doen. Om hieraan tegemoet te komen werden in een samenwerking tussen ZitStil en KU Leuven 2 lespakketten ontwikkeld voor studenten van de tweede graad secundair onderwijs: traditionele psycho-educatie (2 lesuren) waarin informatie over ADHD wordt gegeven én een inleefmoment (2 lesuren) waarin dezelfde inhoud zowel op affectief, gedragsmatig als cognitief niveau wordt gegeven. In een quasi-experimenteel onderzoek in 7 scholen wordt nagegaan of psycho-educatie dan wel het inleefmoment ertoe leiden 1) dat leerkrachten en leerlingen een positievere attitude t.a.v. ADHD en andere functiebeperkingen vertonen, én 2) dat de omgang in de klasgroep positief verbetert. In april-mei 2019 vinden pre-post metingen plaats. De bevindingen en bijhorende conclusies worden in het symposium meegedeeld.

  • Het effect van fidget spinners en bewegingselastieken op de schoolprestaties van kinderen met en zonder verhoogde ADHD-symptomen.

Auteur : Matson Driesen & Joske Rijmen 

Coauteurs : Marina Danckaerts, An-Katrien Hulsbosch, Roeljan Wiersema, Saskia Van der Oord

Leerkrachten en clinici maken toenemend gebruik van innovatieve technieken om de prestaties van kinderen met ADHD, die vaak onderpresteren, te verhogen. Daarnaast wordt er ook geadviseerd kinderen te laten bewegen in de klas. De recente hype rond fidget spinners en bewegingselastieken lijkt daar het antwoord op. Echter, het wetenschappelijk onderzoek hierrond is schaars. Onderzoek bij kinderen met ADHD wijst op een associatie tussen geheugenprestaties en het activiteitsniveau (Sarver et al., 2015), waarbij kinderen met ADHD beter presteren wanneer ze actiever zijn. Dit kan verklaard worden vanuit het state regulation deficit model (van der Meere, 2002). Kinderen met ADHD hebben vaak een te laag arousal niveau. Extra stimulatie in de vorm van beweging kan het arousal niveau verhogen, waardoor prestaties kunnen verbeteren. In de huidige studie onderzochten we het effect van fidget spinners en bewegingselastieken op reken- en luisterprestaties bij 243 kinderen van het tweede tot het vijfde leerjaar uit het regulier onderwijs. De bewegingsintensiteit werd vastgesteld met een accelerometer en ADHD-symptomen werden bevraagd. Voorlopige analyses laten zien dat fidget spinners bij alle kinderen (ongeacht ADHD-symptomen) een negatief effect hebben op de prestaties. Het effect van de bewegingselastieken is afhankelijk van de ADHD-symptomatologie. Kinderen met weinig symptomen presteren slechter, terwijl dit negatieve effect afwezig is bij kinderen met meer ADHD-symptomen. Beide technieken lijken als universele maatregel voorlopig ineffectief. Verder onderzoek is nodig om het effect van bewegingselastieken voor kinderen met verhoogde ADHD-symptomen na te gaan. Definitieve resultaten zullen tijdens het symposium gepresenteerd worden.

 

WETENSCHAPPELIJK SYMPOSIUM SW9 SOCIO-COMMUNICATIEVE GEVOELIGHEID

Dinsdag 17/09/2019 14:20 O&N2 - BMW5

Contactpersoon : Bart Boets

Organisatie : KU Leuven - Center for Developmental Psychiatry

Innovatieve benaderingen om socio-communicatieve gevoeligheid te meten en te versterken: Leuvense bevindingen inzake fMRI, EEG, eye-tracking en oxytocine-interventies bij autisme.

Auteur inleiding : Bart Boets

Inleiding :

Mensen zijn sociale wezens bij uitstek. Verschillende psychiatrische stoornissen worden echter gekenmerkt door moeilijkheden met sociale interacties. In het bijzonder worden individuen met autismespectrumstoornissen (ASS) gekenmerkt door ernstige beperkingen in sociale communicatie en interactie, naast de karakteristieke restrictieve en repetitieve gedragingen en interesses. Momenteel worden deze socio-communicatieve beperkingen vooral op grond van klinische expertise vastgesteld. Het blijft immers bijzonder moeilijk om deze dagdagelijkse beperkingen in het laboratorium op te meten via klassieke experimentele gedragstaken. Binnen de Leuvense context (KU Leuven, www.laures.be) ontwikkelen we nieuwe methoden die toelaten om de gevoeligheid voor subtiele en impliciete socio-communicatieve cues objectief op te meten. Sommige van deze methoden zijn zo robuust, efficiënt en betrouwbaar, dat ze mogelijks in de toekomst ook een bijdrage kunnen bieden aan praktijkgerichte screening en klinische diagnostiek. In de eerste bijdrage tonen we via multivoxel pattern fMRI analyse aan dat volwassenen met autisme een intact cognitief begrip hebben van de affectieve kwaliteit van sociale aanrakingen, maar dat ze een verfijnd lichamelijk aanvoelen missen. In de tweede bijdrage demonstreren we via frequency-tagging EEG dat het brein van lagere-school kinderen met autisme minder gevoelig is voor cruciale sociale cues zoals gezichtsidentiteit en emotionele gelaatsuitdrukkingen. In de derde bijdrage exploreren we het potentieel van EEG en eye-tracking methoden voor vroegdetectie van socio-communicatieve beperkingen bij baby’s (bv. prematuren en high-riks siblings). In de laatste bijdrage richten we ons op psychofarmacologische interventies om de socio-communicatieve gevoeligheid te verhogen, en exploreren we het therapeutisch potentieel van het ‘knuffelhormoon’ oxytocine bij volwassenen en kinderen met autisme.

  • Begrijpen versus aanvoelen van geobserveerde sociale interacties: intacte affectieve representaties maar gebrekkige lichamelijke resonantie bij volwassenen met autisme.

Auteur : Bart Boets --- Haemy Lee Masson

Coauteurs : Hans Op de Beeck, Bart Boets

Mensen kunnen de socio-affectieve betekenis van lichamelijke aanrakingen (bvb. een knuffel versus een klap) moeiteloos vatten, ook als deze interacties geobserveerd worden bij anderen. Deze vaardigheid wordt enerzijds ondersteund door cognitief begrip (Theory-of-Mind), anderzijds door een lichamelijk aanvoelen of resoneren (embodied resonance). Mensen met ASS hebben moeite met gebruik en interpretatie van non-verbale communicatie, inclusief aanrakingen. Binnen deze studie combineren we een ecologisch valide stimulus set en multivoxel pattern fMRI hersenanalyse om interpersoonlijke aanraking en de onderliggende neurale mechanismen te bestuderen bij volwassenen met ASS. De resultaten tonen dat zowel volwassenen met ASS als neurotypische volwassenen accurate affectieve representaties hebben in de temporoparietale junctie, een hersenregio die cruciaal is voor Theory-of-Mind en meta-perspectief redeneren. Echter, enkel de neurotypische volwassenen en niet de volwassenen met ASS beschikken daarenboven over gedifferentieerde representaties van de affectieve betekenis van de aanraking in de somatosensorische cortex, een hersenregio die betrokken is in de verwerking van effectieve zelf-ervaren aanrakingen. Dit impliceert dat volwassenen met ASS een intact cognitief begrip (“kennis”) hebben van de geobserveerde socio-affectieve lichamelijke interacties, maar dat ze geen spontaan lichamelijk aanvoelen vertonen: ze weten wat de betrokkene ervaart, maar ze voelen niet wat de betrokkene ervaart. Verder blijkt dat individuen met minder gedifferentieerde lichamelijke emotionele resonantie minder positief staan ten aanzien van sociale aanrakingen en meer kwantitatieve ASS kenmerken vertonen. Tezamen vormen deze bevindingen een wetenschappelijk pleidooi om cognitieve (mentaliserende) therapievormen te complementeren met meer emotioneel lichaamswerk dat spontane emotionele lichamelijke resonantie kan bevorderen.

  • Hoe meet je socio-communicatieve sensitiviteit? Klinische mogelijkheden van frequency-tagging EEG bij autisme.

Auteur : Stephanie Van der Donck

Coauteurs : Sofie Vettori, Jean Steyaert, Bart Boets

Efficiënte gezichtsverwerking is cruciaal voor non-verbale communicatie. Individuen met autismespectrumstoornissen (ASS) vertonen beperkingen in sociale communicatie en interactie, inclusief gezichtsverwerking. Omdat deze beperkingen moeilijk opgemeten worden via gedragstaken is een aanpak gewenst die toelaat socio-communicatieve beperkingen objectief te kwantificeren op individueel niveau. Binnen het Centrum voor Ontwikkelingspsychiatrie hanteren we een innovatieve hersenbeeldvormingstechniek die de neurale gevoeligheid voor subtiele en impliciete socio-communicatieve cues op een snelle, robuuste en betrouwbare wijze opmeet. Door het periodisch aanbieden van visuele stimuli in combinatie met EEG hersenmetingen, kunnen we de gevoeligheid van het brein kwantificeren voor het detecteren van gezichten in natuurlijke scenes, het onderscheiden van gezichtsidentiteit en het onderscheiden van verschillende emotionele gelaatsuitdrukkingen. In combinatie met eye-tracking wordt ook de voorkeur voor sociale versus niet-sociale informatie opgemeten.   Onze paradigma’s genereren betrouwbare responsen in slechts enkele minuten tijd, soms zelfs in een tijdspanne van enkele seconden. Groepsvergelijkingen tussen jongens met en zonder ASS tonen een gelijkaardige sensitiviteit voor eenvoudige gezichtsdetectie. Jongens met ASS vertonen echter een aanzienlijk verminderde neurale sensitiviteit voor de discriminatie van meer subtiele socio-communicatieve cues, zoals gezichtsidentiteit en emotionele expressies. Daarnaast wijzen zowel de neurale bevindingen als de eye-tracking resultaten op een verminderde sociale voorkeur bij jongens met ASS.  Onze studies tonen aan dat deze EEG-techniek betrouwbaar verschillen in socio-communicatieve verwerking opmeet tussen lagereschoolkinderen met en zonder ASS. In deze presentatie worden de basisprincipes van deze relatief nieuwe EEG-benadering uiteengezet, met daarbij potentiële klinische implicaties.

  • Hoe meet je socio-communicatieve sensitiviteit bij jonge kinderen? EEG en eye-tracking toepassingen bij risico baby’s.

Auteur : Lyssa De Vries en Sofie Vettori --- Steffie Amelynck

Coauteurs : Lyssa de Vries, Sofie Vettori, Bieke Bollen, Jean Steyaert, Ilse Noens, Els Ortibus, Gunnar Naulaers, Bart Boets

Het gelaat vormt een belangrijke bron van sociale informatie voor zuigelingen en jonge kinderen. Baby’s “lezen” gezichten, ze kunnen gezichten detecteren, gekende van ongekende gezichten onderscheiden, en emoties en intenties afleiden op basis van gelaatsuitdrukkingen en kijkrichting. Vroeggeboren baby’s en broertjes of zusjes van kinderen met ASS vertonen een verhoogd risico op socio-emotionele problemen en een verhoogde prevalentie van ASS. Daarom is een gedetailleerde opvolging van de socio-emotionele ontwikkeling in deze risicopopulaties een aangewezen strategie om toekomstige psychopathologie vroegtijdig te detecteren en mogelijks te voorkomen. In deze bijdrage beschrijven we hoe we aan de hand van klassieke EEG (ERP) benaderingen, frequency-tagging EEG en eye-tracking een objectieve inschatting trachten te bekomen van de vroege socio-communicatieve vaardigheden van deze baby’s, evenals mogelijke associaties met atypische gehechtheidspatronen. Op dit moment worden er twee grotere longitudinale studies uitgevoerd in ons babylab. De doelgroep van deze studies zijn kinderen van 4 a 5 maanden, die worden opgevolgd tot de leeftijd van 3 jaar (met metingen op 5, 10, 14, 24 en 36 maanden). Eén studie onderzoekt de effecten van pre- en perinatale stress bij prematuren, en de impact op socio-emotionele ontwikkeling en gehechtheid. De andere studie beoogt vroege signalen van ASS en socio-communicatieve problemen vroegtijdig te detecteren. In deze bijdrage zullen we de state-of-the-art van vroegdetectie en onze verschillende experimentele paradigma’s belichten.

  • Toediening van het ‘knuffelhormoon’ oxytocine als behandeling voor autisme? Onderzoek naar de langdurige effecten op gedragsmatig en neuraal vlak.

Auteur : Kaat Alaerts

Coauteurs : Sylvie Bernaerts, Jean Steyaert, Nicky Daniels, Matthijs Moerkerke, Annelies Bamps, Anke Stuer-Jespers, Bart Boets

Intranasale toediening van het zogenaamde “knuffelhormoon” oxytocine (OT) wordt gesuggereerd als mogelijke therapie voor autismespectrumstoornissen (ASS). Verschillende studies bestudeerden reeds het effect van een enkelvoudige toediening van OT, maar tot op heden is weinig geweten over de neurale, gedragsmatige en biofysische effecten van continue toediening (meervoudige dosissen over een langere periode). Ook de mogelijkheid dat een langdurige behandeling ook langdurige neurobiologische en/of gedragsmatige veranderingen kan induceren, werd tot op heden niet bestudeerd. Binnen het Neuromodulation Labo worden verschillende neurologische beeldvormingstechnieken (fMRI) gehanteerd om naast gedragsmatige effecten ook de neurale effecten van een langdurige OT behandeling in kaart te brengen bij jongvolwassen mannen met ASS (n= 38, 24 jaar). De outcome metingen werden uitgevoerd voor aanvang van de behandeling, onmiddellijk na de behandeling (4-weken, dagelijkse dosis van 24 IU), alsook op twee vervolgsessies, één maand en één jaar na de behandeling. De resultaten van deze klinische trial tonen aan dat langdurige toediening van OT langdurige neurale effecten en gedragsmatige verbeteringen kan induceren (voornamelijk inzake reductie van repetitieve gedragingen) die merkbaar blijven tot één jaar na de behandeling. Binnen deze presentatie wordt de wetenschappelijke evidentie voor het gebruik van OT als therapie bij ASS toegelicht. De recent bekomen resultaten bij jongvolwassen mannen met ASS zullen worden besproken, alsook het design van een momenteel lopende trial waarbij de effecten van lange-termijn OT therapie bij kinderen met ASS (8-12 jaar) worden onderzocht.

 

WETENSCHAPPELIJK SYMPOSIUM SW12 ASS IN ONTWIKKELING 

Dinsdag 17/09/2019 11:50 O&N1 - GA1

Contactpersoon : Lotte van Esch

Organisatie : KU Leuven - Onderzoekseenheid Gezins- en Orthopedagogiek

Toddlers & TIARA: Een multidisciplinair onderzoek naar de ontwikkeling van autismespectrumstoornis (ASS) bij heel jonge kinderen.

Auteur inleiding : Lotte van Esch

Coauteurs : Petra Warreyn, Jean Steyaert, Rudy Van Coster, Ilse Noens, & Herbert Roeyers

Inleiding :

Vanuit de UGent en KU Leuven samen werd een grootschalig onderzoek opgestart naar de vroege kenmerken van en risicofactoren voor ASS. Met deze TIARA-studie zoeken we naar manieren om ASS zo vroeg mogelijk betrouwbaar te kunnen vaststellen. Een vroege diagnose kan immers leiden tot een vroege ondersteuning van het kind en zijn of haar ouders, wat op zijn beurt kan leiden tot een betere ontwikkeling op verschillende domeinen en minder bijkomende problemen. De drie risicogroepen die in deze studie opgevolgd worden zijn jongere broers en zussen van kinderen met ASS, vroeggeboren kinderen (< 30 weken) en kinderen met hardnekkige voedingsproblemen zonder medische verklaring. Deze kinderen worden opgevolgd aan de hand van genetische, neurometabole, neurofysiologische, cognitieve, gedrags- en omgevingsmaten op de leeftijd van 5, 10, 14, 24 en 36 maanden. We vinden het ook belangrijk om rekening te houden met de ethische implicaties van deze studie. Er vinden interviews en focusgroepen plaats met ouders, hulpverleners en volwassenen met ASS met als doel om richtlijnen en aanbevelingen voor vroege detectie te ontwikkelen.

  • De ontwikkeling van spelvaardigheden en andere vroege sociaal-communicatieve vaardigheden bij zeer jonge kinderen met een verhoogd risico op ASS.

Auteur : Floor Moerman

Coauteurs : Herbert Roeyers, Petra Warreyn

Kinderen met ASS ervaren vaak moeilijkheden op vlak van spel. Zo blijkt dat ze vaker repetitief omgaan met spelmateriaal en moeite ervaren om te doen alsof. Interventies bij jonge kinderen met ASS hebben dan ook geregeld als doel om spelvaardigheden te bevorderen. Aangezien spel gerelateerd is aan diverse ontwikkelingsdomeinen, gebruiken deze interventies spel ook soms als middel om andere ontwikkelingsdomeinen te beïnvloeden. Jongere broers en zussen van kinderen met ASS en prematuur geboren kinderen hebben een hoger risico op ASS (HR-kinderen). Omdat spel een mogelijke vroege marker van ASS is en gerelateerd is aan diverse andere vaardigheden, is het belangrijk om de spelontwikkeling van HR-kinderen te onderzoeken. Eerdere studies bij HR-kinderen bij wie de spelontwikkeling werd onderzocht, zijn schaars. Er is nood aan onderzoek waarbij de groei van spelvaardigheden vanaf het eerste levensjaar in kaart wordt gebracht. Ook een instrument dat de vroege ontwikkeling van spelvaardigheden volledig omvat, is noodzakelijk. Tot slot dient de relatie tussen spelvaardigheden en andere ontwikkelingsdomeinen enerzijds en een diagnose van ASS anderzijds, onderzocht te worden. De vroege ontwikkeling van spelvaardigheden wordt momenteel longitudinaal onderzocht door middel van twee semi-gestructureerde spelobservaties en vragenlijsten op de (gecorrigeerde) leeftijd van 10, 14 en 24 maanden bij HR-kinderen. Deze spelobservaties worden gefilmd en het spelgedrag van de kinderen wordt achteraf gecodeerd. Andere ontwikkelingsdomeinen en sociaal-communicatieve vaardigheden worden onderzocht door middel van een ontwikkelingsonderzoek, vragenlijsten en semi-gestructureerde spelobservaties. De manier waarop de spelontwikkeling wordt geëvalueerd, de eerste resultaten en klinische implicaties zullen besproken worden op het symposium.

  • Oogbewegingen bij jonge kinderen met een verhoogd risico op ASS.

Auteur : Lyssa de Vries

Coauteurs : Jean Steyaert, Bart Boets, Gunnar Naulaers

Eye-tracking is het volgen van de oogbewegingen, meestal door middel van een sensor op basis van infraroodlicht. Klinisch wordt vaak waargenomen dat het kijkpatroon van mensen met een diagnose van autismespectrumstoornis (ASS) verschilt van anderen: met deze techniek kan dit gedetailleerd in kaart gebracht worden. Deze niet-invasieve techniek wordt in onderzoek steeds vaker gebruikt bij kinderen om hun kijkgedrag te objectiveren. Locatie en verplaatsing van de blik, maar ook dilatatie en constrictie van de pupil worden gemeten. Tijdens dit symposium geven we een overzicht van evidentie omtrent het gebruik van eye-tracking in het onderzoek naar ASS-kenmerken op een jonge leeftijd en de voor- en nadelen van deze techniek. Daarnaast bespreken we ook toepassingen hiervan in ons eigen onderzoek, waar we deze techniek toepassen op zuigelingen met een verhoogde kans op het ontwikkelen van ASS, op de leeftijd van 5, 10 en 14 maanden. We onderzoeken hoe de kijkbewegingen ontwikkelen op deze verschillende leeftijden en bekijken diverse aspecten hiervan. Zo onderzoeken we voorkeur voor sociale versus niet-sociale stimuli, de pupilreflex (die reactiviteit van het autonoom zenuwstelsel weerspiegelt), voorkeur voor visueel saliënte beelden en mogelijkheid om aandacht te kunnen verplaatsen tussen stimuli. Naast onze interesse in het ontwikkelingsperspectief, kijken we ook naar verbanden tussen deze bevindingen en andere metingen zoals hersenactiviteit in reactie op directe of afgewende blik, hypersensitiviteit zoals gerapporteerd in vragenlijsten, ontwikkelingsniveau bepaald met de BSID-III-NL of sociale interactie zoals gemeten in de ADOS-2. Gezien het longitudinale aspect van onze studie zal op heden nog geen resultaat hiervan weergegeven kunnen worden.

  • Opvoeding bij moeders van zeer jonge kinderen met verhoogd risico op het ontwikkelen van ASS.

Auteur : Melinda Schaap

Coauteurs : Karla Van Leeuwen, Petra Warreyn, Ilse Noens

Het bestuderen van omgevingsfactoren en hun rol in de ontwikkeling van ASS krijgt steeds meer aandacht in het wetenschappelijk onderzoek. Een belangrijke omgevingsfactor is opvoeding, waaronder zowel opvoedingsgedrag als opvoedingsstress vallen. Onderzoek naar opvoedingsgedrag bij ouders van jonge kinderen met (risico op) ASS vergelijkt deze groep meestal met ouders van typisch ontwikkelende kinderen. De onderzoeksuitkomsten suggereren dat de twee groepen ouders vergelijkbaar warm en ondersteunend opvoedingsgedrag stellen, maar dat zij verschillen in hun gebruik van controle en sturing en het ervaren van opvoedingsstress. Resultaten zijn echter niet eensluitend. Vergelijking van studies wordt namelijk bemoeilijkt door verschillen in leeftijdsgroepen die worden onderzocht, in methodes die worden gebruikt (zelfrapportage, observatie) en in opvoedingsconstructen die worden geëvalueerd. Binnen het TIARA-onderzoek wordt opvoedingsgedrag van moeders onderzocht aan de hand van zelfrapportagevragenlijsten en observatie van moeder-kindinteractie. Data worden verzameld op vier tijdstippen, namelijk op een (gecorrigeerde) leeftijd van 5, 10, 14 en 24 maanden. Tijdens de semi-gestructureerde observatie worden moeder en kind gefilmd terwijl zij drie taken uitvoeren: een boekje lezen, een moeilijke taak doen, en vrij spelen. Achteraf worden de interacties gecodeerd door middel van een codeerschema dat ontwikkeld wordt binnen het TIARA-onderzoek. De afgenomen vragenlijsten peilen zowel naar opvoedingsgedrag en opvoedingsstress van de moeder, als naar mogelijk geassocieerde variabelen zoals welzijn, temperament en ASS-kenmerken. Tijdens het symposium zullen allereerst de klinische implicaties van het onderzoek naar opvoeding bij kinderen met (risico op) ASS worden besproken en wordt daarnaast de ontwikkeling van ons eigen codeerschema toegelicht.

  • Reactie op naam als voorspeller van ontwikkelingsproblemen: een multimodale benadering bij kinderen met een verhoogd risico op ASS.

Auteur : Thijs Van Lierde

Coauteurs : Petra Warreyn, Roeljan Wiersema, Rudy Van Coster, Herbert Roeyers

Een verminderde reactie op de eigen naam is een opvallend en vaak voorkomend kenmerk van kinderen met autismespectrumstoornis (ASS). Ongeveer 60% van typisch ontwikkelende kinderen reageert duidelijk op de eigen naam tussen 9 en 12 maanden oud. Bij kinderen met ASS is dit 40%. Deze cijfers variëren afhankelijk van het meetinstrument en van de leeftijd waarop er gemeten wordt. In de praktijk lijkt het niet praktisch om meerdere instrumenten op meerdere leeftijden te gebruiken om één fenomeen te onderzoeken. Om reactie op naam als voorspeller te gebruiken bij kinderen met een verhoogd risico op het ontwikkelen van ASS (HR-kinderen), is het wenselijk om het beste instrument te gebruiken op de meest geschikte leeftijd. Binnen het TIARA-onderzoek wordt reactie op naam prospectief onderzocht via ouderrapportage, gedragsobservatie, en als neurale respons tijdens een auditief elektro-encefalogramtaakje (EEG) op verschillende leeftijdsmomenten. Er worden voorlopige resultaten besproken m.b.t. reactie op naam; de gedragsobservaties en ouderrapportages worden met elkaar vergeleken en in verband gebracht met leeftijd. Voorlopige resultaten hebben betrekking op HR-kinderen van drie leeftijdsgroepen: 5 maanden, 10 maanden, en 14 maanden oud. Hierna zal de toepassing en het nut van EEG-onderzoek besproken worden bij HR-kinderen van 10 en 14 maanden oud. Behalve de neurale respons op het horen van de eigen naam, wordt er tijdens het EEG-onderzoek ook gekeken naar resting-state karakteristieken. Dit geeft ons o.a. informatie over de connectiviteit en de activiteit van bepaalde gebieden in de hersenen in rust. Eerder onderzoek toonde aan dat deze neurale karakteristieken voorspellend kunnen zijn voor latere ontwikkelingsproblemen.

 

WETENSCHAPPELIJK SYMPOSIUM SW13 ADAPTIEF GEDRAG

Dinsdag 17/09/2019 11:50 O&N1 - GA2

Contactpersoon : Kris Evers

Organisatie : KU Leuven - Gezins- en Orthopedagogiek

Diagnostiek van adaptief gedrag in de Vlaamse hulpverleningscontext.

Auteur inleiding : Ilse Noens

Inleiding :

Adaptief gedrag verwijst naar het geheel van conceptuele, sociale en praktische vaardigheden, die een individu nodig heeft in het dagelijks leven. Deze set van gedragingen stelt een persoon in staat om onafhankelijk te kunnen functioneren, zoals verwacht op basis van leeftijd en culturele context. Het concept adaptief gedrag heeft een groot belang in de classificerende diagnostiek van verstandelijke beperking, maar kent daarnaast ook een belangrijke rol in de context van handelingsgerichte diagnostiek en evaluatie van interventies. Momenteel is er in Vlaanderen echter geen instrument beschikbaar voor het evalueren van adaptief gedrag dat (1) adaptief gedrag op multidimensionele wijze in kaart brengt, (2) voldoet aan de psychometrische vereisten (validiteit en betrouwbaarheid), (3) genormeerd is voor de Vlaamse algemene bevolking, en (4) een brede leeftijdsrange bestrijkt. In samenwerking met vele praktijkpartners heeft onze onderzoekseenheid recent een internationaal instrument, het Adaptive Behavior Assessment System – Third Edition (ABAS-3; Harrison & Oakland, 2015) vertaald, genormeerd en er de psychometrische eigenschappen van onderzocht. Dit symposium bestaat uit drie bijdragen. In een eerste bijdrage geven we een state-of-the-artlezing over adaptief gedrag, waarbij we stilstaan bij de actuele operationalisering van het concept adaptief gedrag het belang van het meten van adaptief gedrag binnen de Vlaamse hulpverleningscontext en enkele praktijkillustraties. In de tweede bijdrage presenteren wij de recente vertaling en grootschalige normering van dit instrument om adaptief gedrag in kaart te brengen bij verschillende leeftijdsgroepen en respondenten, namelijk de Adaptive Behavior Assessment System-Third Version (ABAS-3). In de derde bijdrage onderzoeken we de link tussen adaptief gedrag en probleemgedrag in een specifieke doelgroep, namelijk bij kinderen en jongeren met autismespectrumstoornis. Ervaringsdeskundigheid komt aan bod via praktijkverhalen.

  • Definitie van adaptief gedrag en het belang van adaptief gedrag in de Vlaamse hulpverleningscontext.

Auteur : Ilse Noens

Onder adaptief gedrag verstaan we de effectiviteit en de mate waarin iemand beantwoordt aan de eisen van persoonlijke onafhankelijkheid en sociale verantwoordelijkheid, zoals verwacht op basis van zijn of haar leeftijd en cultuur (Schalock, 2004; Schalock & Luckasson, 2004). Adaptief gedrag is onder meer een belangrijk criterium in het kader van de onderkennende diagnostiek. Zo vormt een benedengemiddeld niveau van adaptief functioneren, naast een benedengemiddelde intelligentie, zowel volgens de definitie van de American Association on Intellectual and Developmental Disabilities (AAIDD; Schalock et al., 2010) als volgens de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, Fifth Edition (DSM-5; American Psychiatric Association, 2013), een criterium voor de classificatie van een verstandelijke beperking. In het kader van de handelingsgerichte diagnostiek kan het in kaart brengen van adaptief gedrag eveneens zeer nuttig zijn bij doelgroepen die regelmatig onder- of overschat worden (bijv. personen met autismespectrumstoornis of een andere ontwikkelingsstoornis, verworven hersenletsel, een zintuiglijke beperking, maar ook kansarmen, bij allochtone afkomst, etc.) wanneer uitsluitend gekeken wordt naar bijvoorbeeld intelligentieonderzoek of schoolse prestaties (o.a. Mooij, Hoogeveen, Driessen, Hell & Verhoeven, 2007; Opdenakker & Hermans, 2006; Tellegen, 2000). Door een grondige en betrouwbare meting van adaptief gedrag kunnen individuele noden beter geïdentificeerd worden, waarna een handelingsplan op maat kan opgesteld en geëvalueerd worden. Adaptief gedrag is bovendien in de Vlaamse beleidscontext van onderwijs en welzijn een belangrijk criterium voor beslissingen inzake het type onderwijs en de toegang tot bepaalde hulpverlening.

  • De ontwikkeling van de Nederlandstalige versie van de Adaptive Behavior Assessment System – Third Version (ABAS-3-NL).

Auteur : Bea Kreemers

Coauteurs : Jarymke Maljaars, Gert Storms, Bea Maes, & Ilse Noens

Zoals hierboven aangegeven, is er in Vlaanderen geen enkel instrument voor het evalueren van adaptief gedrag dat (1) uit meerdere subdomeinen van adaptief gedrag bestaat, (2) voldoet aan de psychometrische vereisten van validiteit en betrouwbaarheid, (3) genormeerd is voor de Vlaamse algemene populatie, en (4) een breed leeftijdsbereik heeft. De beschikbaarheid van een dergelijk instrument is nochtans van cruciaal belang voor een goede diagnostiek. Na een uitgebreide literatuurstudie kozen we ervoor om de ABAS-3 (Adaptive Behavior Assessment Sytem) te vertalen en te normeren voor Vlaanderen. De ABAS-3 bestaat naast een algemene score voor adaptief gedrag uit een Conceptueel, Sociaal en Praktisch domein, waaronder tien vaardigheidsgebieden vallen. De vragenlijsten werden vertaald en terugvertaald, van feedback voorzien door experten en uitgetest in een pilootstudie. Daarna namen meer dan 3000 Vlaamse kinderen en jongeren uit de algemene populatie deel aan het onderzoek: 0-5 jaar ouderversie (n = 1297); 2,5-5 jaar leerkrachtversie (n = 370); 5-21 jaar ouderversie (n = 1518); 5-21 jaar leerkrachtversie (n = 717). Aanvullende informatie werd verzameld via een achtergrondvragenlijst, Vineland Screener 0-6 (een screeningsinstrument voor adaptief gedrag bij kinderen) en een ASEBA-vragenlijst (maat voor inter- en externaliserend probleemgedrag). Uit de eerste analyses blijkt - voor zowel de ouder-, begeleider- als leerkrachtversie van beide leeftijdscategorieën (0-5 jaar, 5-21 jaar) – een hoge mate van betrouwbaarheid wat betreft interne consistentie, interbeoordelaarsbetrouwbaarheid, test- hertestbetrouwbaarheid. Daarnaast zien we een matig tot sterke correlatie tussen chronologische leeftijd en de mate van adaptief gedrag bij deze leeftijdscategorie. Validerings- en normeringsonderzoek zijn momenteel lopend.

  • De link tussen adaptief gedrag en probleemgedrag bij kinderen en jongeren met autismespectrumstoornis.

Auteur : Kris Evers

Coauteurs : Jean Steyaert & Ilse Noens

Heel wat kinderen en jongeren met autismespectrumstoornis ervaren substantiële moeilijkheden in het leven van alledag. Internaliserend en externaliserend probleemgedrag komt vaak voor bij personen met autismespectrumstoornis. Daarnaast ligt ook hun niveau van adaptief gedrag soms lager dan dat van leeftijdsgenoten, en lager dan verwacht op basis van hun intellectuele vaardigheden. Daarom onderzochten wij het verband tussen adaptief gedrag bij een groep kinderen en jongeren met autismespectrumstoornis (N = 75). Wij bestudeerden hun profiel van adaptief gedrag, evalueerden het verband met probleemgedrag, en de rol van intelligentie in dit verband. Voorlopige resultaten tonen aan dat het niveau van adaptief gedrag lager ligt bij kinderen en jongeren met autismespectrumstoornis dan bij leeftijdsgenoten. Ook gedragsproblemen worden frequent gerapporteerd bij kinderen en jongeren met autismespectrumstoornis. Daarnaast suggereren onze resultaten dat er een discrepantie is tussen adaptief gedrag en intelligentie. Deze discrepantie lijkt bij te dragen tot gedragsproblemen. Onze resultaten tonen aan dat het belangrijk is om aandacht te hebben voor adaptief gedrag en bijkomende gedragsproblemen binnen de diagnostiek bij en hulpverlening aan kinderen en jongeren met autismespectrumstoornis. Daarnaast vormen tegenstellingen tussen verwachtingen op basis intelligentie en het functioneren in het leven van alledag relevante aandachtspunten.

 

WETENSCHAPPELIJK SYMPOSIUM SW15 PSYCHOFARMACA 

Dinsdag 17/09/2019 14:20 O&N2 - BMW1 

  • Knelpunten bij het instellen van ADHD-medicatie.

Auteur : Karen Vertessen - Arts/promovendus en kinder- en jeugdpsychiater in opleiding

VU Amsterdam - Child Study Group, Neuropsychology section

Coauteurs : dr. Marjolein Luman & prof. dr. Jaap Oosterlaan

In dit symposium bespreken we de knelpunten bij het opstarten van de medicamenteuze behandeling van ADHD en de MOVA-studie, een lopend onderzoek waarbij verschillende methodes van instellen van medicatie bij ADHD vergeleken worden.

ADHD is de meest voorkomende kinderpsychiatrische stoornis. Medicatie, met als eerste keuze methylfenidaat, maakt vaak deel uit van de behandeling. Hierbij bestaan er een aantal knelpunten, met in het bijzonder het niet optimaal titreren en het (onnodig) lang gebruiken ervan.

Methylfenidaat heeft bij ongeveer 7/10 kinderen met ADHD een goede werking, waarbij de ADHD-symptomen onder controle zijn en er geen/ weinig bijwerkingen zijn. Het instellen van kinderen op methylfenidaat gebeurt conform de huidige richtlijnen middels het stapsgewijs verhogen van de dosis. Hierbij wordt veelal afgegaan op subjectieve observaties van symptomen en bijwerkingen om de optimale dosering te bepalen. Deze titratiemethode kapitaliseert op een lineaire dosis-respons relatie waarbij hogere doseringen samengaan met een grotere symptoomreductie. De dosis-respons relatie voor methylfenidaat blijkt echter idiosyncratisch, waardoor een hogere dosering niet zondermeer een grotere symptoomreductie oplevert. Dit is zorgelijk, omdat veel kinderen hierdoor niet de juiste dosering methylfenidaat voorgeschreven krijgen (1) en een onjuiste dosering de effectiviteit en veiligheid van medicamenteuze behandeling vermindert.

Een placebogecontroleerde titratie zou op dit probleem een antwoord kunnen bieden. De placebogecontroleerde titratie houdt in dat deze kinderen gedurende 4-5 weken, in willekeurige volgorde en blind voor de ouders, het kind en de behandelaar, elke week een andere dosering methylfenidaat en placebo gebruiken. Aan het eind van de titratie kan dan bepaald worden of behandeling met methylfenidaat effectief is en zo ja, wat de optimale dosering is. Deze methode is met succes toegepast binnen wetenschappelijk onderzoek, onder andere in de MTA-studie (2) en in de klinische praktijk. Ondanks de voordelen van de placebogecontroleerde titratie, wordt deze wijze van het instellen van medicatie nog nauwelijks toegepast in de klinische praktijk en is dit geen onderdeel van huidige richtlijnen. Redenen hiervoor zijn dat het inzetten van de placebogecontroleerde titratie op dit moment complex en arbeidsintensief is en dat behandelaren vaak nog onvoldoende evidentie zien voor de effectiviteit. Met de MOVA-studie wordt momenteel een grootschalig onderzoek uitgevoerd waarin met een Randomised Controlled Trial in de klinische praktijk stapsgewijze titratie vergeleken wordt met een dubbelblinde placebogecontroleerde titratie bij kinderen met ADHD. De set-up van de studie zal worden besproken.

  1. Greenhill LL, Swanson JM, Vitiello B, Davies M, Clevenger W, Wu M, et al. Impairment and deportment responses to different methylphenidate doses in children with ADHD: the MTA titration trial. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry. 2001;40(2):180-7.
  2. A 14-month randomized clinical trial of treatment strategies for attention-deficit/hyperactivity disorder. The MTA Cooperative Group. Multimodal Treatment Study of Children with ADHD. Arch Gen Psychiatry. 1999;56(12):1073-86.
  • Effectiviteit van Guanfacine bij kinderen en jongeren met een aandachtsDefinciëntie -/ Hyperactiviteitsstoornis en de meest voorkomende psychiatrische comorbiteiten : een systematic review.

Auteur : Catherine De Groof - kinder- en jeugdpsychiater

Coauteurs : Dr. W. De la Marche & Prof. Dr. M. Danckaerts

AandachtsDeficiëntie-/Hyperactiviteitsstoornis (ADHD) is een veel voorkomende kinder- en jeugdpsychiatrische aandoening. Meest voorkomende comorbide stoornissen bij ADHD zijn oppositioneel-opstandig gedrag, tics, autismespectrumstoornissen, angst en depressies. Comorbide stoornissen en symptomen kunnen het dagelijks functioneren sterk en hebben een belangrijke impact op de prognose. Daarom dienen comorbide stoornissen en symptomen in rekening gebracht te worden bij het opstellen van het globale behandelplan. Stimulantia zijn de eerste medicamenteuze keuze. Recent kwam langwerkende guanfacine op de Belgische en Nederlandse markt.

In deze korte bijdrage zal op basis van een systematische literatuurstudie de evidentie voor effecten van guanfacine op de symptomen van de meest voorkomende comorbide stoornissen toegelicht worden. Dit overzicht wil bijdragen aan een meer wetenschappelijk onderbouwde keuze in de medicamenteuze behandeling van ADHD, om zo polyfarmacie te vermijden.

We kunnen samenvatten dat Guanfacine een optie is in de behandeling van ADHD bij kinderen en jongeren met comorbide gedragsproblemen of autisme en mogelijk ook bij tics, omdat het ook effect heeft op de comorbide symptomatologie. Om een gegronde uitspraak te doen over een voorkeur voor een bepaald geneesmiddel bij ADHD met deze comorbide stoornissen is er nood aan head-to-head onderzoek.

  • Welke plaats heeft melatonine in de behandeling van slaapproblemen bij kinderen met ADHD?

Auteur : Dr. Stéphanie Vercauteren, Prof.Dr.Lindita Imeraj, Prof. Dr. Annik Lampo

UZ Brussel - Kinder- en Jeugdpsychiatrie - arts specialist in opleiding kinder- en jeugdpsychiatrie

Achtergrond: Inslaapproblemen en verschuivingen in het circadiaan ritme zijn bij kinderen en adolescenten met ADHD een courant probleem. Eerdere studies wezen reeds op het nut van melatonine in de behandeling hiervan. Echter het gebruik van dit ‘slaaphormoon’ is bij kinderen en adolescenten nog steeds “off-label”. Nochtans tonen buitenlandse studies aan dat melatonine wel degelijk in de klinische praktijk wordt voorgeschreven in deze populatie. Huidig onderzoek heeft als doel meer inzicht te krijgen in het voorschrijfgedrag en de ervaringen van de Vlaamse kinder- en jeugdpsychiaters, met betrekking tot melatonine, en dit te toetsen aan de Europese aanbevelingen. Methode: Een online vragenlijst, gebaseerd op de vragenlijst gebruikt in een studie bij pediaters in het Verenigd Koninkrijk en aangepast aan de Europese aanbevelingen, werd verstuurd naar 292 Vlaamse kinder- en jeugdpsychiaters. Vragen peilen naar voorschrijfgewoonten en ervaringen in het algemeen alsook specifiek bij kinderen en adolescenten met ADHD.   Resultaten: In totaal hebben 65 artsen (22,3%) de enquete volledig ingevuld. Bijna alle respondenten (96,5%) hebben ooit melatonine opgestart voor (in)slaapproblemen. De meest voorkomende comorbide stoornis, in de met melatonine behandelde groep, is ADHD gevolgd door ASS. Het overgrote deel van de respondenten rapporteert dat melatonine meestal tot altijd effectief werkt zowel bij hun algemene patiëntenpopulatie (73,9%) als specifiek bij hun ADHD-patiënten (65,6%). Bij slechts 15,4% van de respondenten werden ooit milde neveneffecten gerapporteerd. Alle respondenten geven aan melatonine enkel als hypnoticum te gebruiken en bijgevolg de chronobiotische werking niet optimaal te benutten. Conclusie: De resultaten tonen dan verder onderzoek nodig is met oog op ontwikkeling van meer uitgewerkte richtlijnen en eventueel een geregistreerd gebruik.

  • Pipamperon in kinderen: een beschrijving van de farmacokinetiek in relatie met klinische verbetering.

Auteur : Sanne Kloosterboer - Kinder- en jeugdpsychiatrie - Arts en klinisch farmacoloog

Erasmus MC Rotterdam, Nederland & Universiteitskliniek Würzburg, Duitsland

Coauteurs : Brenda de Winter, Manon Hillegers, Gwen Dieleman, Karin Egberts, Manfred Gerlach, Teun van Gelder, Birgit Koch, Bram Dierckx

Onderzoeksvragen: Wat is de farmacokinetiek van pipamperon in kinderen en wat is de relatie met klinische verbetering?   Methode: Pipamperon spiegels werden prospectief verzameld in een Nederlandse multicenter trial (NTR 6050). Aanvullend werden dalspiegels van een Duitse Therapeutic Drug Monitoring service gebruikt. De farmacokinetiek werd gemodelleerd met nonlinear mixed effect modelling (NONMEM v7.4). De effectiviteit werd beoordeeld met de Global Clinical Impression – Improvement Scale en de interquartiele ranges (IQR) van de dalspiegels van responders versus niet-responders werden vergeleken.   Resultaten: 70 pipamperon concentraties van 30 kinderen (mediane leeftijd 13.0 jaar, range [5.6-17.7], gewicht 50.4 kg [24.8-100.4]) zijn gebruikt voor een 1-compartiment farmacokinetisch model. Dit model is succesvol extern gevalideerd met een extra sample van 21 Duitse kinderen met 33 pipamperon concentraties (mediane leeftijd 14.9 jaar [7.2-20.6], gewicht 47.4 kg [24.0-118]). Het verdelingsvolume was 420 L/70kg en de klaring was 22.3 l/h/70 kg (variatie tussen kinderen 20.6%). De gesimuleerde dalspiegels waren vergelijkbaar tussen responders (n=34) en niet-responders (n=15): mediaan 93.1 µg/l, IQR [67.9-129.4] vs 92.1 µg/l, [47.2-129.8]. In patiënten zonder psychiatrische comedicatie (n=12, 14 concentraties) waren de gesimuleerde dalspiegels hoger in responders (70.9 µg/l, [26.0-123.8]) versus niet-responders (37.7µg/l, [21.9-57.8]).   Discussie: Dit is de eerste studie die de farmacokinetiek van pipamperon in kinderen beschrijft. De gevonden farmacokinetische parameters komen overeen met waardes in volwassenen. Onze bevindingen maken het mogelijk om pipamperon spiegels in kinderen te interpreteren, waarmee Therapeutic Drug Monitoring kan worden ondersteund.  

 

WETENSCHAPPELIJK SYMPOSIUM SW16 ONTWIKKELINGS STOORNISSEN 

Dinsdag 17/09/2019 11:50 O&N2 - BMW4 

  • Multi-Tasking in ADHD and its Development from Middle Childhood to Adolescence.

Auteur : Ralf Krampe - KU Leuven - PhD

Coauteurs : Jurgen Lemiere, Marina Danckaerts

Performing two or more activities at the same time has become a lifestyle for modern children and adolescents in that respect frequently mimicking their parents or older siblings. We tested 153 children and adolescents from three age groups (8-9 yrs., 11-12 yrs., 14-15 yrs.), roughly half of them diagnosed with ADHD. To control for age- and ADHD-related differences in working memory capacity we used an adaptive training procedure during which the difficulty of our task was individually calibrated. In parallel, participants were familiarized with the two posture tasks. The simple task required standing on a stable platform; in the difficult posture condition maintaining a stable stance was required on a platform that was dynamically moving along with participants' sway (sway-referencing). Subsequently, we measured working memory and postural control performances under single- and dual-task conditions. In addition, participants performed another combination of working memory and reaction time tasks. We also conducted full-size IQ and motoric development assessments. Data analyses are ongoing but will be completed in September. So far, we found – considerably weaker postural control in ADHDs, which were pronounced under dynamic conditions – ADHDs showed higher dual-task costs in working memory as well as in postural control – negative effects of ADHD were larger in children compared with adolescents but had not completely disappeared in the older group – the dual-task disadvantage for ADHD was similar when WM was combined with the RT task suggesting that multi-tasking deficits are not limited to postural control settings Een van onze MA studenten (Senne van Houdt) zal via een video boodschap zijn evaluatie van multitasking problemen bij ADHDs toelichten.

  • Kunnen temperament en sensorisch functioneren latere symptomen van autismespectrumstoornis en de cognitieve ontwikkeling bij vroeggeboren kinderen voorspellen?

Auteur : Fieke Vlaeminck - Doctoraatsstudent

Universiteit Gent - Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie

Coauteurs : Julie Vermeirsch, Liedewij Verhaeghe, Petra Warreyn, Herbert Roeyers

Vroeggeboren kinderen hebben een verhoogd risico op allerlei korte- en langetermijncomplicaties. Zo blijken geboortegewicht en zwangerschapsduur significant negatief geassocieerd te zijn met gemiddelde cognitieve testscores en vormen deze kinderen een risicogroep voor het ontwikkelen van autismespectrumstoornis (ASS). Een geschatte ASS-prevalentie van 7% werd gerapporteerd in deze populatie, ten opzichte van 1% in de typisch ontwikkelende populatie. Huidig prospectief onderzoek ging na in welke mate vroege temperamentskenmerken en vroeg sensorisch functioneren predictief zijn voor cognitieve ontwikkeling en ASS-symptomen in een steekproef van vroeggeboren kinderen (N=45, 21 meisjes, gemiddelde zwangerschapsduur onderzoek is het eerste dat temperament en sensorisch functioneren longitudinaal bekeek in relatie tot cognitief functioneren en ASS-symptomen bij prematuren. Op klinisch vlak suggereren de resultaten dat zowel temperament als sensorisch functioneren al in de eerste twee levensjaren informatie kunnen bieden over welke vroeggeboren kinderen meer kans hebben op het vertonen van latere cognitieve vertraging of symptomen van ASS.

“Tijdens het congres zullen onderzoeksresultaten gepresenteerd worden uit een grootschalige opvolgstudie van vroeggeboren kinderen die plaatsvond binnen de faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen van de Universiteit Gent.”

  • Relatie tussen motorische vaardigheden en intellectueel functioneren bij kinderen en jongeren met een autismespectrumstoornis.

Auteur : Carlos Pelayo Ramos Sanchez

KU Leuven, departement Revalidatiewetenschappen / UPC KU Leuven, Expertisecentrum Autisme

Onderzoeksgroep Aangepaste Bewegingsactiviteiten en Psychomotorische Revalidatie - student Master in de Revalidatiewetenschappen

Coauteurs : Dianne Kortekaas, dr. Debbie Van Biesen, dr. Tine Van Damme

Heden zijn er verschillende visies omtrent de relatie tussen motorische en cognitieve vaardigheden. Enerzijds wordt motoriek en cognitie vaak beschouwd als van elkaar te onderscheiden ontwikkelingsdomeinen. Anderzijds heerst er ook de idee dat motorische ontwikkeling en cognitieve ontwikkeling fundamenteel verbonden zijn aan elkaar. Wetenschappelijke studies betreffende de relatie tussen motoriek en cognitieve functies leidden tot tegenstrijdige resultaten, wat deels verklaard kan worden door populatie-specifiek onderzoek. Zo zijn er argumenten om aan te nemen dat deze relatie zich anders presenteert bij typisch ontwikkelende kinderen dan bij kinderen met ontwikkelingsstoornissen. Binnen de groep van kinderen en jongeren met een Autismespectrumstoornis (ASS) zijn er – per definitie - uiteenlopende profielen aanwezig, zowel op het domein van intellectueel functioneren als op motorisch domein. Desondanks is onderzoek naar de relatie tussen motoriek en intellectueel functioneren in deze populatie erg schaars. Bovendien worden kinderen met een verstandelijke beperking vaak geëxcludeerd, wat gevolgen heeft voor de representativiteit van de resultaten. In deze bijdrage geven we een overzicht van de huidige stand van zaken en lichten we de resultaten toe van een lopende studie waarin de relatie tussen verschillende motorische vaardigheden en intellectueel functioneren bij kinderen en jongeren met ASS wordt geëxploreerd. De studie werd uitgevoerd binnen een klinische setting, nl. Expertisecentrum Autisme, UPC KU Leuven

 

WETENSCHAPPELIJK SYMPOSIUM SW7 JEUGDZORG EN KINDERPSYCHIATRIE

Dinsdag 17/09/2019 11:50 O&N2 - BMW6

Contactpersoon : Prof. dr. Inge Glazemakers

Organisatie : Universiteit Antwerpen - CAPRI

Alle goede dingen bestaan uit drie: Samenwerking tussen Jeugdzorg, Kinder- en Jeugdpsychiatrie en een Universitaire Onderzoeksgroep.

Auteur inleiding : Prof. dr. Inge Glazemakers

Coauteurs : Goedele Plovie, dr. Corine Faché

Inleiding :

Een vijftal jaren geleden startte de afdeling Van Celst van Jeugdzorg Emmaüs Antwerpen een samenwerking met de Universitaire Kinder- en Jeugdpsychiatrie (UKJA) van het ZNA te Antwerpen, dit resulteerde in de vorming van een netwerkorganisatie. Ook de onderzoeksgroep CAPRI van de Universiteit Antwerpen was hierbij betrokken. De netwerkorganisatie richt zich op een zeer kwetsbare groep jongeren die verblijven in Jeugdzorg Emmaüs. Ze hebben te kampen met zowel een individuele problematiek (bv. trauma, persoonlijkheidsproblematiek, gedragsproblemen, ontwikkelingsproblemen…) én een contextproblematiek. Zij hebben een achtergrond van voortijdig afgebroken therapieën en opnames, zowel in de Bijzondere Jeugdzorg, Gemeenschapsinstellingen, als in kinder- en jeugdpsychiatrie. Startend met een goede diagnostiek als basis voor een behandeling op maat binnen een goed uitgebouwde samenwerking tussen beide jeugdhulpaanbieders moest er toe leiden dat trajecten van jongeren een beter verloop kenden (efficiënter, minder uitval, vermijden van doorsluizen van de en naar de andere voorziening). Ondertussen mag gesteld worden dat dit samenwerkingsmodel als een echt good practice kan beschouwd worden. Dit symposium geeft een inzicht in de meerwaarde van een structurele samenwerking tussen Bijzondere Jeugdzorg en kinder- en jeugdpsychiatrie, ondersteund door een universitaire onderzoeksgroep.

  • Impact van een netwerkorganisatie op de hulpverlener.

Auteur : Goedele Plovie

Wat betekent het werken in een netwerkorganisatie voor de individuele hulpverlener? Op welke manier heeft de netwerkorganisatie het dagelijks werk binnen de jeugdhulp veranderd? Medewerkers uit de jeugdzorg schetsen de uitdagingen in de samenwerking met kinder- en jeugdpsychiatrie en maken hierbij de vergelijking tussen de verschillende trajecten die hierin afgelegd worden (bv. Structurele samenwerking voor alle trajecten van de jongeren binnen een voorziening vanuit de structuur van een netwerkorganisatie ten opzichte van een samenwerking op indicatie binnen een individueel traject).

  • De nood van een netwerkorganisatie in vraaggestuurd werken: focus op de jongere.

Auteur : dr. Corine Faché

Waarom volstaat zorg vanuit één bepaalde sector niet meer in de hulp aan jongeren met multipele en complexe noden? Wat is de meerwaarde voor een kinderpsychiater/de kinder- en jeugdpsychiatrie om een structurele samenwerking aan te gaan? Welke hulp kan een netwerkorganisatie bieden die een reguliere residentiële behandeling in de kinder- en jeugdpsychiatrie niet kan bieden? Wat vinden de jongeren zelf van deze vorm van samenwerking?

  • Netwerkversterking vanuit onderzoek.

Auteur : Prof. dr. Inge Glazemakers

Hoe kan een Universitaire onderzoeksgroep een meerwaarde bieden aan een netwerkorganisatie in het veld? Op welke manier kunnen practice-based evidence en evidence-based practice hand in hand gaan? Hoe kan je jongeren en praktijkmedewerkers empoweren? Via de verschillende fasen van het Participatorisch Actieonderzoek illustreren we met praktijkvoorbeelden hoe onderzoek een onmiddellijk effect kan hebben in de zorg voor kwetsbare jongeren.

 

WETENSCHAPPELIJK SYMPOSIUM SW20 DE EFFECTLADDER

Dinsdag 17/09/2019 14:20 O&N2 - BMW2   GEANNULEERD

Contactpersoon : Ilse Noens

Dieter Baeyens